www.bovia.nl update
19-03-2012
Wet
van 21 april 1994, houdende vervanging van de Wegenverkeerswet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is de regels inzake het verkeer op de weg opnieuw vast te
stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer
openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en
duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
c. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om
anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door
een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door
elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen
met trapondersteuning;
d. aanhangwagen: voertuig dat kennelijk is
bestemd om te worden voortbewogen door een motorrijtuig. In het bepaalde
krachtens deze wet kan onder aanhangwagen tevens worden verstaan een voertuig
dat door een ander voertuig wordt voortbewogen of kennelijk is bestemd om door een
ander voertuig te worden voortbewogen;
e. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met
een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3
of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan
4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in
subonderdeel d;
b. motorrijtuig op drie wielen, met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een
gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d,
uitgerust met:
1°. een motor met elektrische ontsteking met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3,
2°. een motor met inwendige verbranding en een
netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde
motoren, of
3°. een elektromotor met een nominaal continu
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; dan wel
c. motorrijtuig op vier wielen, niet zijnde een
gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d, met
een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h en
een ledige massa van minder dan 350 kg, de massa van de batterijen in elektrische
voertuigen niet inbegrepen, uitgerust met:
1°. een motor met elektrische ontsteking met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3,
2°. een motor met inwendige verbranding en een
netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde
motoren, of
3°. een elektromotor met een nominaal continu
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW;
d. een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b.
In ieder geval wordt als bromfiets
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets
is aangeduid;
ea. fietsen met trapondersteuning: fietsen die zijn
voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van
maximaal 0,25 kW en waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en
tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/h
bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen;
f. typegoedkeuring: goedkeuring van tot een
bepaald type behorende voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers;
g. kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 36
of artikel 37, derde lid;
h. kentekenbewijs: kentekenbewijs als bedoeld in
artikel 36 dan wel een kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave van een
kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid;
i. kentekenregister: register, bedoeld in
artikel 42;
j. keuringsbewijs: keuringsbewijs als bedoeld
in artikel 72;
k. keuringsrapport: keuringsbewijs of een
beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs;
l. rijbewijs: rijbewijs, bedoeld in artikel
107;
m. rijbewijzenregister: register, bedoeld in
artikel 126;
n. bestuurder van een motorrijtuig: degene die
het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene
maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder
zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen;
o. houder van een motorrijtuig of een
aanhangwagen: degene die het voertuig:
1°. op grond van een overeenkomst van huurkoop
onder zich heeft,
2°. in vruchtgebruik heeft, of
3°. anderszins, anders dan als eigenaar of
bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft;
p. verwerken van gegevens: verwerken als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
q. Dienst Wegverkeer: de in artikel 4a bedoelde
dienst;
r. het CBR: de Stichting Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen;
s. goedkeuring van een productieproces: ter
uitvoering van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of
van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
verleende goedkeuring van een productieproces van voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers;
t. fabrikant: persoon of instantie die
tegenover een goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van
een typegoedkeurings- of toestemmingsprocedure en
instaat voor de overeenstemming van de productie met de verleende goedkeuring
of toestemming;
u. schadevoertuig: voertuig dat ten gevolge van
een beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is;
v. alcoholslot: het geheel van ademalcoholtester, startonderbreker en registratie-eenheid,
dat in een motorrijtuig wordt ingebouwd, waardoor het motorrijtuig waarin het
is ingebouwd alleen kan worden gestart nadat in de ademalcoholtester
is geblazen en indien het daarin gemeten en weergegeven ademalcoholgehalte ligt
onder de voor de betrokkene ingevolge artikel 8, vierde lid, onderdeel b,
geldende, wettelijke alcohollimiet;
w. alcoholslotprogramma: het samenstel van de
verplichting tot inbouw van een alcoholslot en de daarbij behorende
registratie-eenheid in een door betrokkene gebruikt motorrijtuig, het periodiek
laten uitlezen van de registratie-eenheid en het volgen van een
begeleidingsprogramma;
x. alcoholslotregister: het register als bedoeld
in artikel 129a.
2. Indien de eigenaar
van een motorrijtuig of een aanhangwagen niet tevens bezitter is, treedt de
bezitter voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de
eigenaar in de plaats.
3. Degene aan wie een
kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen wordt, tenzij
anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet
beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen.
4. Voor de toepassing
van de hoofdstukken III tot en met V van deze wet worden vennootschappen zonder
rechtspersoonlijkheid mede als rechtspersoon aangemerkt.
Artikel 2
1. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en
passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het
waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de
vrijheid van het verkeer.
2. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het
verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het
milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het
verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten
of gebieden.
3. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het bevorderen van een doelmatig of zuinig
energiegebruik;
b. het waarborgen van het op juiste wijze in
rekening brengen van tarieven voor het gebruik van de weg;
c. het gebruik en de waarborging van de
juistheid van de registers die ingevolge deze wet worden bijgehouden;
d. het voorkomen en bestrijden van fraude;
e. de regeling van positie, inrichting en
werkwijze, alsmede het uitoefenen van toezicht op zelfstandige bestuursorganen
die taken verrichten op het terrein van deze wet.
4. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen voorts strekken ter uitvoering van verdragen of van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen
van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, op het terrein van de
typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en
passagiers, in verband met de toelating tot het verkeer op de weg of het
gebruik buiten de weg.
5. De vaststelling van
regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van het bij of krachtens deze
wet bepaalde geschiedt in overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen ministers, indien deze regels strekken tot behartiging van
de belangen, bedoeld in het tweede dan wel het derde lid.
Artikel 2a
Provincies, gemeenten en waterschappen
behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien
van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover
die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde
regels en voorzover verkeerstekens krachtens deze wet
zich daar niet toe lenen.
Artikel 2b
De voordracht voor een krachtens deze
wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 3
1. Onverminderd de
artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk
maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
artikel 4, derde en vierde lid, in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het
eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet
aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij
dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel
van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit,
op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het
eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de bepalingen die
ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld; buiten werking gesteld, zodra
de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld
in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze
bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in
het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 4
1. Het bepaalde bij of
krachtens deze wet en provinciale en plaatselijke verordeningen gelden slechts
voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is bepaald:
a. ten aanzien van voertuigen, voor zover die
worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten;
b. voor militairen te voet, voor zover zij zich
ter uitoefening van de dienst op de weg bevinden.
2. Buiten de
omstandigheden, bedoeld in het derde lid en het vijfde lid, kunnen in de
gevallen waarin het bepaalde bij of krachtens deze wet en provinciale en
plaatselijke verordeningen niet ingevolge het eerste lid van toepassing is
verklaard, bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld en
kunnen bij ministeriële regeling ter uitvoering daarvan nadere regels worden
vastgesteld:
a. ten aanzien van voertuigen, voor zover die
worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten;
b. voor militairen te voet, voor zover zij zich
ter uitoefening van de dienst op de weg bevinden.
3. [Red: Dit lid is nog
niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk
maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
dit lid in werking treden.]
Ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan bij koninklijk besluit
worden bepaald dat van in dat besluit aan te wijzen bepalingen, genoemd in de
algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken
door bestuurders van voertuigen gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten en
door militairen te voet die zich op de weg bevinden ter uitoefening van de
dienst.
4. [Red: Dit lid is nog
niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk
maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
dit lid in werking treden.]
Ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan bij koninklijk besluit
worden bepaald dat ten aanzien van voertuigen van bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen overheidsdiensten, het bepaalde bij of krachtens deze wet
en provinciale en plaatselijke verordeningen slechts gelden voor zover zulks
bij die maatregel is bepaald.
5. In geval van de
beperkte of de algemene noodtoestand is het militair gezag bevoegd voor het
gebied waarvoor op grond van artikel 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor
Nederland in werking zijn gesteld, regels vast te stellen inzake het verkeer op
de weg, afwijkende van het bepaalde bij of krachtens deze wet en van
provinciale en plaatselijke verordeningen, alsmede van de in het tweede lid
bedoelde, bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, voor zoveel
dat door het gezag ter uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de
uitwendige of inwendige veiligheid nodig wordt geacht.
6. Door de vorige leden
wordt de gewone aansprakelijkheid uit andere wettelijke bepalingen
voortvloeiende, niet opgeheven of verminderd.
Hoofdstuk IA. De Dienst Wegverkeer
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4a
Er is een Dienst Wegverkeer, in het
maatschappelijk verkeer aangeduid als RDW. De dienst bezit
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Zoetermeer.
Paragraaf 2. Taken van de Dienst Wegverkeer
Artikel 4b
1. De Dienst Wegverkeer is belast met de
volgende taken:
a. het in het kader van de toelating tot het
verkeer op de weg verlenen van typegoedkeuringen voor voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, het verlenen van individuele
goedkeuringen voor voertuigen, alsmede het intrekken van typegoedkeuringen,
a1. het ter uitvoering van verdragen of besluiten
van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de
Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, verlenen van typegoedkeuringen voor
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers,
a2. het verlenen van toestemming om onderdelen of
uitrustingsstukken te verkopen, te koop aan te bieden, of het in het verkeer
brengen, alsmede het intrekken van toestemmingen,
b. het houden van toezicht op het overeenstemmen
van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers met het type
waarvoor de goedkeuring is verleend en op het overeenstemmen van onderdelen en
uitrustingsstukken waarvoor een toestemming is verleend met de verleende
toestemming,
b1. het houden van toezicht op het terugroepen van
reeds in de handel gebrachte voertuigen, onderdelen of uitrustingsstukken door
de fabrikant,
b2. het in verband met het alcoholslotprogramma
verlenen van typegoedkeuringen voor alcoholsloten en voor de productieprocessen
van die alcoholsloten ingevolge artikel 132e, eerste lid,
b3. het ter uitvoering van verdragen of besluiten
van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de
Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, verlenen van typegoedkeuringen voor
alcoholsloten en productieprocessen van die alcoholsloten,
b4. het houden van toezicht op het overeenstemmen
van de alcoholsloten met het type waarvoor de goedkeuring is verleend,
b5. het verwerken van gegevens in verband met het
alcoholslotprogramma,
b6. het vaststellen en vastleggen van manipulatie
van voertuigsystemen en het melden hiervan aan de bevoegde autoriteiten,
c. het opgeven van kentekens voor motorrijtuigen
en aanhangwagens en het ter zake van die opgaven afgeven van kentekenbewijzen,
het schorsen van de geldigheid van kentekenbewijzen, het ongeldigverklaren
van kentekenbewijzen, het geldig verklaren van kentekenbewijzen, alsmede het
houden van toezicht als bedoeld in artikel 37, vierde lid,
d. het afgeven van keuringsrapporten voor
motorrijtuigen en aanhangwagens,
e. het behandelen van bezwaren tegen afgegeven
keuringsrapporten,
f. het in het kader van de toelating tot het
verkeer op de weg verlenen van goedkeuringen voor motorrijtuigen en aanhangwagens
waarvan de constructie is gewijzigd dan wel waarvan het kentekenbewijs is
ingevorderd,
g. het afgeven van rijbewijzen in de gevallen,
bedoeld in artikel 116, eerste lid, alsmede het ongeldigverklaren
van rijbewijzen in de in deze wet bepaalde gevallen,
h. het verwerken van gegevens met betrekking tot
opgegeven kentekens, afgegeven kentekenbewijzen, afgegeven keuringsrapporten,
krachtens artikel 149a verleende ontheffingen, afgegeven rijbewijzen , fietsen en
de mobiele objecten, bedoeld in artikel 70l, eerste lid, alsmede met betrekking
tot rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de bevoegdheid tot het
besturen van motorrijtuigen,
i. het overeenkomstig de bij of krachtens deze
wet vastgestelde bepalingen verstrekken van gegevens uit de in onderdeel h
bedoelde registers alsmede het houden van toezicht als bedoeld in artikel 45a,
eerste lid,
j. het verlenen van erkenningen als bedoeld in
de artikelen 62, 70a, 83 en 101, en het verlenen van de bevoegdheid voertuigen
aan een keuring te onderwerpen als bedoeld in artikel 85a alsmede het schorsen,
wijzigen en intrekken van erkenningen en van de bevoegdheid voertuigen aan een
keuring te onderwerpen,
j1:. de bevoegdheid tot het aanwijzen van een
technische dienst voor het uitvoeren van bepaalde tests ten behoeve van het
verlenen van typegoedkeuringen of individuele goedkeuringen of voor het
uitvoeren van bepaalde toezichtstaken,
k. het houden van toezicht op de naleving van de
verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel j bedoelde erkenningen en
van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen alsmede op de
verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel j1 bedoelde aanwijzing als
technische dienst,
l. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in
artikel 149a,
m. het opsporen van bij of krachtens deze wet
strafbaar gestelde feiten, voor zover de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer
daarmee ingevolge artikel 159 zijn belast, en
n. het met inachtneming van het bepaalde in
artikel 4q vaststellen van de tarieven, bedoeld in de artikelen 22, eerste lid,
22a, eerste lid, 22b, tweede lid, 23, tweede lid, 23a, tweede lid, 25a, eerste
lid, 25b, tweede lid 26, eerste lid, 26a, tweede lid, 29, tweede lid, 30, 31,
37, vierde lid, 43, zesde en zevende lid, 45a, derde lid, 48, eerste lid, 55,
eerste lid, 63, eerste lid, 64, tweede lid, 67, eerste lid, 70, tweede lid,
70d, eerste lid, 70e, tweede lid, 70k, vierde en vijfde lid, 70l, vierde
lid,75, eerste lid, 80, eerste lid, 84, eerste lid, 86, vijfde lid, 90, vierde
lid, 91, vierde lid, 99, eerste lid, 101, eerste lid, 102, tweede lid, 106,
eerste lid, 106a, derde lid, jo. 101, eerste lid, respectievelijk jo. 102,
eerste lid, 111, vijfde lid, 128, eerste lid, 132e, eerste en tweede lid, 132g,
eerste lid, 132h, derde lid, 132l, eerste lid, en tweede lid, onderdeel f,
132m, vierde lid, 144, eerste lid, en 149a, vierde lid, alsmede het vaststellen
van de wijze van betaling van deze tarieven,
o. het sluiten van overeenkomsten met betrekking
tot de productie van rijbewijzen, de aflevering ervan en het beheer van de
daartoe benodigde voorzieningen;
p. het attenderen van houders van een rijbewijs
op het verloop van de geldigheidsduur.
2. Voorts is de Dienst Wegverkeer belast met:
a. de bij of krachtens andere wetten opgedragen
taken, en
b. andere door Onze Minister opgedragen taken.
Artikel 4c
Onze Minister kan de Dienst Wegverkeer
aanwijzingen van algemene aard geven omtrent de uitoefening van de aan de
Dienst opgedragen taken. Aanwijzingen omtrent de uitoefening van de bij of
krachtens andere wetten dan deze wet opgedragen taken worden door Onze Minister
gegeven in overeenstemming met Onze voor die wetten eerst verantwoordelijke
Ministers.
Paragraaf 3. De organen
Artikel 4d
De Dienst Wegverkeer heeft een directie en een
raad van toezicht.
Artikel 4e
1. De directie bestaat uit maximaal 3 leden.
2. Het lidmaatschap van de directie is
onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.
3. De leden van de directie worden aangesteld, geschorst
en ontslagen door de raad van toezicht.
4. De leden van de directie worden aangesteld
voor een periode van 5 jaren en kunnen terstond opnieuw worden aangesteld.
Artikel 4f
1. De directie is belast met de dagelijkse
leiding van de Dienst Wegverkeer.
2. Alle bevoegdheden van de Dienst Wegverkeer
die niet bij of krachtens de wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen,
komen toe aan de directie.
Artikel 4g
1. De directie vertegenwoordigt de Dienst
Wegverkeer in en buiten rechte.
2. De directie kan onder haar
verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen
aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze
vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak
van de Dienst Wegverkeer dan wel op bepaalde aangelegenheden.
Artikel 4h
In geval van schorsing of ontstentenis van een
lid van de directie voorziet de raad van toezicht in de waarneming van diens
functie.
Artikel 4i
1. De directie verstrekt de raad van toezicht
tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere
gegevens.
2. De directie legt jaarlijks, en voorts
tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding
bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door haar gevoerde
beleid.
Artikel 4j
1. De raad van toezicht bestaat uit vijf leden,
waaronder de voorzitter.
2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat
de leden van de raad van toezicht.
3. De voorzitter wordt benoemd, gehoord de raad
van toezicht.
4. De leden van de raad van toezicht hebben op
persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of
ruggespraak.
Artikel 4k
1. De voorzitter en de overige leden van de raad
van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn voor een
aansluitende periode éénmaal herbenoembaar.
2. De leden van de raad van toezicht kan
tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden
verleend.
3. Zolang in een vacature van de raad van
toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht,
met de bevoegdheid van de volledige raad. Binnen twee maanden na het openvallen
van een vacature wordt een nieuw lid benoemd. Betreft het de vacature van de
voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat
tijdelijk als voorzitter fungeert.
4. Degene die is benoemd ter vervanging van een
tussentijds opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in
wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden en is vervolgens voor een
aansluitende periode éénmaal herbenoembaar.
Artikel 4l
1. De raad van toezicht ziet toe op de
werkzaamheden van de directie en staat die met raad terzijde.
2. Goedkeuring door de raad van toezicht
behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende:
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 4n,
4o en 4r;
b. vaststelling van de tarieven, bedoeld in
artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, de tarieven die voortvloeien
uit artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, alsmede van de wijze van
betaling van deze tarieven;
c. investeringen die een door de raad van
toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
d. de financiële begroting;
e. het jaarverslag en de jaarrekening;
f. het aangaan of garanderen van geldleningen
die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
g. wijzigingen in de rechtspositie van het
personeel;
h. de bij of krachtens deze wet aan Onze
Minister uit te brengen rapportages;
i. het financiële meerjarenbeleidsplan;
j. uitbreiding van de keuringscapaciteit als
bedoeld in artikel 78, tweede lid;
k. het oprichten of mede-oprichten van dan wel
het deelnemen in rechtspersonen of vennootschappen;
l. het sluiten van overeenkomsten van
zwaarwegend belang.
3. Het aangaan of garanderen van geldleningen
die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan, de in het
tweede lid, onderdelen b, d, i, j, k en l
genoemde besluiten, het in artikel 4n bedoelde reglement, alsmede het in
artikel 4o bedoelde reglement voor zover het betreft de bezoldiging van
de directie van de Dienst Wegverkeer, behoeven bovendien de goedkeuring van
Onze Minister. Bij de goedkeuring van het hier in artikel 4o bedoelde
reglement zal Onze Minister als richtsnoer de bezoldigingsniveaus van functies
van vergelijkbare zwaarte bij de ministeries hanteren.
4. De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige
besluiten nemen indien niet ten minste vier leden ter vergadering aanwezig
zijn.
5. De raad van toezicht stelt bij reglement zijn
werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
6. De vergaderingen van de raad van toezicht
zijn niet openbaar.
Artikel 4m
1. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat;
de kosten daarvan komen ten laste van de Dienst Wegverkeer.
2. Onze Minister kan aan de leden van de raad
van toezicht, ten laste van de Dienst Wegverkeer, een vergoeding toekennen voor
hun werkzaamheden.
3. De leden van de raad van toezicht hebben
aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie
gemaakte reis- en verblijfskosten.
Paragraaf 4. Inrichting en bedrijfsvoering
Artikel 4n
De directie stelt bij reglement zijn
werkwijze vast.
Paragraaf 5. Personeel van de organisatie
Artikel 4o
1. Het personeel van de Dienst Wegverkeer, de
leden van de directie daaronder begrepen, is ambtenaar in de zin van de
Ambtenarenwet, behoudens degenen met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten
naar burgerlijk recht.
2. De directie stelt bij reglement de regeling
van de rechtstoestand van het personeel vast.
3. Onverminderd hetgeen reeds bij of krachtens
de wet is geregeld, geeft het reglement, bedoeld in het tweede lid, in ieder
geval voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c. ontslag;
d. het onderzoek naar de geschiktheid en de
bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h. verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met ziekte;
j. bescherming bij de arbeid;
k. woon-, verblijfs- en
bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. overige rechten en verplichtingen van het
personeel;
n. disciplinaire maatregelen;
o. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking
komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gevoerd over
aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand en de bezoldiging
van het personeel van de Dienst Wegverkeer;
p. een geschillenregeling met betrekking tot de
in de onderdelen l en o genoemde onderwerpen.
Paragraaf 6. Financiële bepalingen
Artikel 4p
De inkomsten van de Dienst Wegverkeer bestaan
uit:
a. de opbrengst van de heffingen;
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
c. andere baten hoe ook genoemd.
Artikel 4q
1. De hoogte van de
tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, dient te worden
gerelateerd aan de met de uitoefening van de taak gemoeide kosten.
2. Het tarief, bedoeld
in artikel 48, eerste lid, voor de aanvraag van een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen deel van het kentekenbewijs omvat mede een bij
ministeriële regeling vastgesteld bedrag dat strekt ter dekking van de kosten
van:
a. het registreren van keuringsrapporten,
b. het ongeldig verklaren van kentekenbewijzen,
c. het verstrekken van gegevens uit het
kentekenregister als bedoeld in artikel 43, eerste en tweede lid, en bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen verstrekkingen,
d. het behandelen van klachten en ingevolge de
Algemene wet bestuursrecht ingediende bezwaarschriften en beroepsschriften
gericht op het handelen van de Dienst Wegverkeer,
e. het opsporen van bij of krachtens deze wet
strafbaar gestelde feiten voor zover ambtenaren van de Dienst Wegverkeer
daarmee ingevolge artikel 159 zijn belast,
f. het beheer en instandhouding van het in
artikel 13, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
bedoelde register,
g. het verstrekken van gegevens uit het in
onderdeel f genoemde register aan degenen die ingevolge de in artikel 38, tweede
lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde algemene
maatregel van bestuur niet tot betaling van het ter zake vastgestelde tarief
zijn gehouden,
h. de inspectie bedoeld in artikel 45a, tweede
lid, indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer blijkt dat de gegevens
juist in het kentekenregister zijn opgenomen dan wel de onjuistheid van een
gegeven degene aan wie het kentekenbewijs voor het geïnspecteerde voertuig is
afgegeven niet kan worden tegengeworpen, en
i. het toezicht op het terugroepen door de
fabrikant van reeds in de handel gebrachte voertuigen.
Artikel 4r
De directie stelt bij reglement
richtlijnen vast voor het voeren van een ordelijk financieel beheer van de
Dienst Wegverkeer.
Artikel 4s
1. De directie stelt jaarlijks een jaarverslag
en een jaarrekening op.
2. Het boekjaar van de Dienst Wegverkeer valt
samen met het kalenderjaar.
3. De directie zendt jaarlijks binnen vier
maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken aan de raad van toezicht.
4. De jaarstukken omvatten:
a. het jaarverslag;
b. de jaarrekening;
c. de verklaring van de door de raad van
toezicht aangewezen externe registeraccountant;
d. een opgave over de toepassing van de
arbeidsvoorwaarden.
5. De directie zendt binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar de jaarstukken met een document, houdende de
goedkeuring door de raad van toezicht van het jaarverslag en de jaarrekening
ter kennisneming aan Onze Minister. De directie stelt te zelfder
tijd de in het vierde lid, onderdelen a, b en c, bedoelde
stukken algemeen verkrijgbaar en maakt hiervan melding in de Staatscourant.
Artikel 4t
1. De directie dient het financiële
meerjarenbeleidsplan en de goedkeuring daarvan door de raad van toezicht voor 1
oktober voorafgaand aan het boekjaar, in bij Onze Minister.
2. De directie verstrekt Onze Minister voor 15
januari van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar de door Onze Minister
voor het opstellen van de Rijksbegroting vereiste gegevens.
3. Onze Minister kan regels stellen over de inrichting
van de begroting, het financiële meerjarenbeleidsplan en de jaarstukken, en kan
aandachtspunten vaststellen voor de accountantscontrole.
Paragraaf 7. Overige bepalingen
Artikel 4u
1. De directie verstrekt Onze Minister de inlichtingen
die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt.
2. Onze Minister verstrekt de Dienst Wegverkeer
de inlichtingen die deze voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
3. Onze Minister stelt een informatiestatuut
vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met
betrekking tot de in dit hoofdstuk bedoelde informatie-uitwisseling tussen Onze
Minister en de Dienst Wegverkeer.
Artikel 4v
1. Waar in deze wet de goedkeuring van Onze
Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes
weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken.
2. Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het
verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring
is verleend of onthouden.
Artikel 4w
1. Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan
wel de vaststelling door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt
deze die goedkeuring dan wel stelt deze vast of weigert die vaststelling binnen
zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige dan wel
vast te stellen stukken.
2. Met goedkeuring dan wel vaststelling wordt
gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder
dat de goedkeuring is verleend of onthouden dan wel de vaststelling heeft
plaatsgevonden of is geweigerd.
3. Indien de raad van toezicht goedkeuring
onthoudt aan de financiële begroting, is de directie gerechtigd gedurende ten
hoogste zes maanden voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt
onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de
begroting van het voorafgaande boekjaar.
Artikel 4x
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de
Dienst Wegverkeer zijn taken, omschreven in artikel 4b, eerste lid en tweede
lid, onderdeel b, niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister bepalen
dat de bevoegdheden die met die taken verband houden niet langer aan de Dienst
Wegverkeer toekomen. De betrokken bevoegdheden gaan in dat geval over op Onze
Minister.
2. Indien de Dienst
Wegverkeer een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak
naar het oordeel van Onze Minister en Onze voor die wet eerst verantwoordelijke
Minister niet langer naar behoren verricht, kunnen zij gezamenlijk bepalen dat
de bevoegdheden die met die taak verband houden niet langer aan de Dienst
Wegverkeer toekomen. De betrokken bevoegdheden gaan in dat geval over op Onze
Minister.
Artikel 4y
Het Besluit voorschrift
informatiebeveiliging rijksdienst 1994 is van toepassing op de Dienst
Wegverkeer.
Hoofdstuk IB. Toezicht op het CBR
Artikel 4z
1. Het CBR verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening
nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
nodig is.
2. Onze Minister kan aan
het CBR aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitvoering
van de artikelen 130 tot en met 134a en 149, tweede lid, onderdeel a.
3. Indien het CBR naar
het oordeel van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost of in gevaar
brengt, kan Onze Minister, gehoord het CBR, de noodzakelijke voorzieningen
treffen.
4. Over de uitoefening
van het toezicht op het CBR door Onze Minister kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Artikel 4z1 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Bij de toepassing van de taken op het
gebied van de beoordeling van de rijvaardigheid, neemt het CBR de bij
ministeriële regeling aangewezen richtlijn, of de aangewezen onderdelen
daarvan, in acht.
Hoofdstuk IC. Toezicht op
keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden
Artikel 4aa
1. Keuringsinstellingen,
aangewezen ingevolge de artikelen 71a, 84, eerste lid, 101, eerste lid, en
132e, vijfde lid, en 106a, derde lid, jo. 101, eerste lid, en de ingevolge deze
artikelen erkende onderzoeksgerechtigden en
instellingen, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die
deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijze noodzakelijk is.
2. Onze Minister kan aan
de in het eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden
en instellingen aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de
uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen.
3. Onze Minister kan
tarieven vaststellen die de in het eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen ten hoogste mogen
berekenen voor de door hen verrichte werkzaamheden in het kader van de
uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen. Daarbij kunnen voor
verschillende werkzaamheden verschillende tarieven worden vastgesteld.
4. Indien een
keuringsinstelling als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van Onze
Minister haar taak verwaarloost, kan Onze Minister de aanwijzing intrekken.
5. Over de uitoefening
van het toezicht op keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden
en instellingen als bedoeld in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Hoofdstuk II. Verkeersgedrag
§ 1. Gedragsregels
Artikel 5
Het is een ieder verboden zich zodanig
te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of
dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
Artikel 6
Het is een ieder die aan het verkeer
deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een
ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel
dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden ontstaat.
Artikel 7
1. Het is degene die bij
een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is
veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan
een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs
moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in
hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
2. Het eerste lid,
aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats
van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van
zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de
identiteit van dat motorrijtuig.
Artikel 8
1. Het is een ieder
verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl
hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of
redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie
met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat
hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden
een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik
van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.
3. In afwijking van het
tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan
een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste
maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel,
indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de
bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is
afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van
achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken, en
de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden,
verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.
4. In afwijking van het
tweede lid is het derde lid van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van
een motorrijtuig:
a. die zonder dat aan hem een rijbewijs is
afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs
vereist is, of
b. aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma
is opgelegd, tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het alcoholslotprogramma
overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, overeenkomstig de daarvoor
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de
voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering heeft
verkregen.
5. Het is verboden een
motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet
of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het
eerste, tweede of derde lid is omschreven.
6. Voor de toepassing
van het derde lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland.
Artikel 9
1. Het is degene die
weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of
strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd,
verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een
motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen.
2. Het is degene die
weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor
een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de
geldigheidsduur ongeldig is verklaard of zijn geldigheid overeenkomstig artikel
123b, eerste lid, heeft verloren, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor
het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is
afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën
dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als
bestuurder te doen besturen.
3. Het tweede lid geldt
niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat
aan hem ter verkrijging van een rijbewijs voor de categorie of categorieën van
motorrijtuigen waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, rijonderricht in
de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven en gedurende
de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een
onderzoek, door of vanwege de overheid ingesteld, naar zijn rijvaardigheid of
geschiktheid.
4. Het is degene van wie
ingevolge artikel 130, tweede lid, de overgifte van
een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs is
ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een
motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven,
te besturen of als bestuurder te doen besturen.
5. Het is degene die
weet of redelijkerwijs moet weten dat de geldigheid van een op zijn naam
gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, derde lid, onderdeel a, voor een of
meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst, verboden gedurende de tijd
dat de schorsing van kracht is, op de weg een motorrijtuig van de categorie of
categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder
te doen besturen.
6. Het vierde en het
vijfde lid gelden niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig
gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een
ingevolge artikel 131, eerste lid, gevorderd onderzoek. Voorts geldt het vijfde
lid niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd
dat aan hem, ter voorbereiding op een onderzoek naar de rijvaardigheid in het
kader van een ingevolge artikel 133, eerste lid, gevorderd onderzoek,
rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt
gegeven.
7. Het is degene van wie
ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn
naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland
afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van
wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven,
verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor
dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.
8. Het is degene van wie
ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering van het rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs krachtens
die wet is ingenomen, verboden op de weg een motorrijtuig, voor het besturen
waarvan het rijbewijs is afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen
besturen met ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van
die wet.
9. Het is degene die op
grond van artikel 132c, eerste lid, onderdeel d, de feitelijke beschikking
heeft gekregen over een rijbewijs waarop de bij ministeriële regeling
vastgestelde codering voor deelname aan het alcoholslot is vermeld, verboden
een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, te besturen:
a. dat niet is voorzien van een alcoholslot als
bedoeld in artikel 132e, eerste lid,
b. waarvan het kenteken in het in artikel 129a
bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien
van een niet-werkend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,
c. waarin wel een alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, is ingebouwd, maar waarvan het kenteken in het in
artikel 129a bedoelde register niet aan hem is gekoppeld, of
d. terwijl een ander dan de bestuurder heeft
geblazen in het alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, een en
ander tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het alcoholslotprogramma
overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, overeenkomstig de daarvoor
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de
voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering heeft
verkregen.
10. Voor de toepassing
van het tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste lid wordt onder rijbewijs mede
verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland.
Artikel 10
1. Het is verboden op de
weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt
voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter
vaststelling of vergelijking van prestaties hetzij van de deelnemers, hetzij
van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen.
3. Als deelnemer wordt
beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt
deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een
wedstrijd doet of laat deelnemen.
Artikel 11
Het is verboden opzettelijk
wederrechtelijk een aan een ander toebehorend motorrijtuig op de weg te gebruiken.
Artikel 12
1. Weggebruikers zijn
verplicht gevolg te geven aan de aanwijzingen die door de in artikel 159
bedoelde personen dan wel door andere bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorieën van personen ter zake van het verkeer op de weg worden
gegeven.
2. De in het eerste lid
bedoelde aanwijzingen mogen slechts worden gegeven in het belang van de
veiligheid op de weg, de instandhouding van de weg en de bruikbaarheid daarvan,
of de vrijheid van het verkeer dan wel in het belang van met toestemming van
Onze Minister verrichte onderzoeken ten behoeve van het verkeer.
3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het
bepaalde in het eerste lid, alsmede met betrekking tot:
a. de opleiding en examinering van
verkeersregelaars en de afgifte, of weigering daarvan, en geldigheidsduur van
examencertificaten en herhalingscertificaten;
b. de erkenning, of de weigering daarvan, door
Onze Minister van examencertificaten of herhalingscertificaten, de voorschriften
die aan die erkenning kunnen worden verbonden en de intrekking van die
erkenning;
c. de opleiding van verkeersbrigadiers;
d. de aanstelling van verkeersregelaars, de
verlenging en intrekking van die aanstelling, de afgifte van het bevoegdheidsbewijs
aan verkeersregelaars, de schorsing van de aanstelling van verkeersregelaars in
gevallen waarin het verkeer in gevaar is of kan worden gebracht, alsmede de
aanstelling van verkeersbrigadiers;
e. de uitrusting, de verzekering, de wijze en
plaats van taakuitoefening, en het toezicht op verkeersregelaars en
verkeersbrigadiers.
4. Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een verzoek
tot aanstelling tot verkeersregelaar en verlenging van die aanstelling als
bedoeld in het derde lid, onderdeel d.
Artikel 13
1. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld betreffende het gedrag
van verkeersdeelnemers.
2. In de bij die
algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen kunnen bij ministeriële
regeling voorschriften ter uitvoering van die regels worden vastgesteld.
§ 2. Verkeerstekens en maatregelen op
of aan de weg
Artikel 14
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels vastgesteld omtrent het toepassen van verkeerstekens en
onderborden alsmede omtrent het treffen van maatregelen op of aan de weg tot
wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van
voorzieningen ter regeling van het verkeer. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels vastgesteld betreffende het toepassen van verkeerstekens en
onderborden. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld
betreffende inrichting, plaatsing, kleur, afmeting en materiaal van
verkeerstekens en onderborden.
Artikel 15
1. De plaatsing of
verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat
of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan
de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of
verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens
een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of
uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of
weggedeelte gebruik kan maken.
Artikel 16
1. De in artikel 15
bedoelde verkeerstekens en onderborden worden geplaatst of verwijderd, en de
daar bedoelde maatregelen worden getroffen, door de zorg van het gezag dat het
verkeersbesluit heeft genomen.
2. Verkeerstekens en
onderborden, die niet worden geplaatst of verwijderd krachtens een
verkeersbesluit, worden geplaatst of verwijderd door de zorg van het openbaar
lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien geen openbaar lichaam het
beheer heeft, door de zorg van de eigenaar van de weg.
Artikel 17
In de bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen gevallen kan bij de plaatsing en verwijdering van
verkeerstekens en het treffen van maatregelen op of aan de weg, worden
afgeweken van de artikelen 15 en 16. Indien het als gevolg van dringende
omstandigheden niet mogelijk is de verkeerstekens in de voorgeschreven uitvoering
te plaatsen, kan de door het teken aangeduide informatie op andere duidelijke
wijze kenbaar worden gemaakt.
Artikel 18
1. Verkeersbesluiten
worden genomen:
a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen
onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen
onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;
c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen
onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit
van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;
d. voor zover zij betreffen het verkeer op
andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen,
door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een
deelgemeente.
2. Indien het beheer
over een weg wordt overgedragen, blijven de verkeersbesluiten die de
oorspronkelijke wegbeheerder ten aanzien van het verkeer op die weg heeft
vastgesteld, van kracht totdat zij zijn vervangen.
3. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan
verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de
inwerkingtreding van die besluiten.
Artikel 19
1. Gedeputeerde staten
kunnen aan besturen van waterschappen en aan burgemeester en wethouders de
aanwijzing geven om op buiten de bebouwde kom gelegen wegen, ten aanzien
waarvan die organen bevoegd zijn tot het nemen van verkeersbesluiten, binnen
dertien weken een verkeersbesluit van een daarbij aan te geven inhoud te nemen
en uit te voeren.
2. Het eerste lid mag
worden toegepast, indien:
a. op een buiten de bebouwde kom gelegen weg,
die bij meerdere organen in beheer is, naar het oordeel van gedeputeerde staten
een of meerdere niet op elkaar afgestemde verkeersbesluiten van kracht zijn,
die zodanige afstemming behoeven met het oog op de belangen, omschreven in
artikel 2, eerste lid, onderdelen a, c en d, en tweede lid, of
b. gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het
nemen van een verkeersbesluit noodzakelijk is ter bescherming van de belangen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid.
3. Gedeputeerde staten
dienen voorafgaande aan het geven van een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid overleg te voeren met het betrokken bestuur.
4. Het betrokken bestuur
is verplicht een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid op te volgen en uit
te voeren.
5. Indien een aanwijzing
als bedoeld in het eerste lid niet wordt opgevolgd of uitgevoerd, gaan
gedeputeerde staten op kosten van het betrokken bestuur tot het nemen van het
verkeersbesluit en zo nodig tot de uitvoering daarvan over.
6. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld over de totstandkoming en de
inhoud van de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen alsmede over hetgeen verder
voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.
Artikel 20
Een belanghebbende kan tegen een
verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden
of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer
beroep instellen bij de rechtbank.
§ 3. Vaststelling bebouwde kom
Artikel 20a
1. De grenzen van de
bebouwde kom of kommen van een gemeente worden vastgesteld bij besluit van de
gemeenteraad.
2. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels inzake de vaststelling van bebouwde kommen
vastgesteld.
Hoofdstuk IIA. Aanwijzing bromfietsen
waarvoor geen Europese typegoedkeuring vereist is
Artikel 20b
1. Voorafgaande aan de
toelating tot het verkeer op de weg kan Onze Minister een motorrijtuig met een
door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h,
uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50
cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van
niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, per type of
individueel voertuig aanwijzen op grond van zijn veiligheidsaspecten, indien:
a. de toelating overeenstemt met de in artikel
2, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid en derde lid, onderdeel a,
genoemde doeleinden; en
b. er voor dit motorrijtuig niet een
typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de Europese Unie tot stand
gekomen voorschriften vereist is.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de aanwijzing.
Hoofdstuk III. Toelating en
goedkeuring
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 21
1. Bij ministeriële
regeling aan te wijzen categorieën van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd voor toelating tot het
verkeer op de weg.
2. De goedkeuring,
bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend als typegoedkeuring, dan wel,
met betrekking tot voertuigen, als goedkeuring voor een individueel voertuig.
3. Bij ministeriële
regeling aan te wijzen productieprocessen van bepaalde categorieën voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen
ter bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd
alvorens de producten voortkomend uit die productieprocessen worden toegelaten
tot het verkeer op de weg.
4. In afwijking van het
eerste lid kunnen bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers worden
aangewezen, waarvoor geen typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de
Europese Unie tot stand gekomen voorschriften vereist is, worden toegelaten tot
het verkeer op de weg zonder te zijn goedgekeurd.
§ 2. Typegoedkeuring en goedkeuring
productieprocessen van voertuigen en voertuigonderdelen
Artikel 22
1. Een typegoedkeuring
wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door
deze dienst verleend indien het voertuig, het systeem, het onderdeel, de
technische eenheid, het uitrustingstuk of de
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers waarvoor de
goedkeuring wordt gevraagd, bij een door de dienst verrichte keuring heeft
voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot
de toelating tot het verkeer op de weg. Deze eisen kunnen betrekking hebben op
de technische staat, de specificaties, de prestaties of de uitrusting van het
voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het uitrustingstuk of de voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers.
2. Met een typegoedkeuring
wordt gelijkgesteld een typegoedkeuring:
a. die is verleend door het daartoe bevoegde
gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die
is verleend overeenkomstig de op het betrokken voertuig, systeem, onderdeel,
technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers betrekking hebbende, in het kader van de Europese
Unie tot stand gekomen voorschriften, of die is verleend door het daartoe
bevoegde gezag in Zwitserland indien dit voorvloeit
uit de op 21 juni 1999 te Luxemburg tot stand gekomen Overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wederzijdse erkenning
van de overeenstemmingsbeoordeling (PbEG L 114);
b. die is verleend door het daartoe bevoegde
gezag in een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende het aannemen
van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op
wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen
worden gemonteerd of gebruikt en is verleend overeenkomstig de voorwaarden voor
wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende
goedkeuringen;
c. als bedoeld in artikel 22a, eerste lid.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld betreffende de organisatie van de
aanvrager, het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden verricht,
het door de aanvrager voor de keuring ter beschikking stellen van voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen
ter bescherming van weggebruikers en passagiers, het door de aanvrager
overleggen van bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring
alsmede betreffende de wijze waarop de keuring wordt verricht.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot in het kader van een
typegoedkeuringsprocedure op basis van in het kader van de Europese Unie tot
stand gekomen voorschriften op de Dienst Wegverkeer of de fabrikant van een
voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk
of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers rustende
verplichtingen.
5. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot op voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen
ter bescherming van weggebruikers en passagiers, behorende tot een goedgekeurd
type, aan te brengen keurmerken, aanduidingen of gegevens.
Artikel 22a
1. Ter uitvoering van
verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of
meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, verleent de
Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief, een typegoedkeuring indien het voertuig, het systeem, het onderdeel, de
technische eenheid, het uitrustingstuk of de
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers, waarvoor de
goedkeuring wordt gevraagd, bij een door de dienst verrichte keuring heeft
voldaan aan de eisen van het bij ministeriële regeling bekendgemaakte besluit.
2. De artikelen 22,
derde lid, 23, 24 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22b
1. De Dienst Wegverkeer
kan met het oog op het verlenen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel
22, eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem
bepaalde voor goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een
door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een
accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze
dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. De Dienst Wegverkeer
houdt toezicht op de op grond van het eerste lid aangewezen technische dienst.
De aangewezen technische dienst is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door de Dienst Wegverkeer ter zake van de
kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Met een technische
dienst wordt gelijk gesteld een technische dienst die beschikt over een
beoordelingsverslag opgesteld door de daartoe bevoegde instantie in een andere
lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel over een
accrediteringscertificaat afgegeven door een accrediteringsinstantie uit die
andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, voor
zover hieruit blijkt dat deze dienst voldoet aan eisen die tenminste
gelijkwaardig zijn aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
4. De aanwijzing wordt
ingetrokken indien de technische dienst die was aangewezen, daarom verzoekt.
5. De Dienst Wegverkeer
kan een aanwijzing intrekken indien de aangewezen technische dienst niet meer
voldoet aan de voor de aanwijzing gestelde eisen.
6. De Dienst Wegverkeer
kan een aanwijzing schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn
die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
7. Bij ministeriële
regeling kunnen bepalingen worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Hierbij kunnen tevens regels worden gesteld omtrent het door de aanvrager
overleggen van bescheiden of verstrekken van nadere inlichtingen, betreffende
de wijze waarop toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking
daaraan van degene die is aangewezen als technische dienst.
Artikel 23
1. De Dienst Wegverkeer
houdt toezicht op het overeenstemmen van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, die doorgaan voor goedgekeurd, met het type
waarvoor de goedkeuring is verleend. Tot dit toezicht kan behoren het
steekproefsgewijs keuren van tot een type waarvoor de goedkeuring is verleend,
behorende voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers.
Voorts kan tot het toezicht behoren het periodiek controleren van de
organisatie van degene aan wie de goedkeuring is verleend alsmede het proces
volgens hetwelk hij zijn werkzaamheden verricht. Degene aan wie de goedkeuring
is verleend, is gehouden aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke
werkzaamheden medewerking te verlenen.
2. Degene aan wie een
goedkeuring is verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten
van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop
het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van
degene aan wie een goedkeuring is verleend.
Artikel 23a
1. De Dienst Wegverkeer
kan met het oog op de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 23,
eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde toezichtstaken
uit te voeren, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld
beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie afgegeven
accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij
ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede
tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer een typegoedkeuring vervalt.
Artikel 25
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een typegoedkeuring in, indien degene aan wie de goedkeuring is verleend,
daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een typegoedkeuring intrekken, indien:
a. degene aan wie de goedkeuring is verleend een
voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk
of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers doet of laat
doorgaan voor goedgekeurd, terwijl dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel,
die technische eenheid, dat uitrustingstukken of die voorziening ter
bescherming van weggebruikers en passagiers niet overeenstemt met het type
waarvoor de goedkeuring is verleend,
b. degene aan wie de goedkeuring is verleend, de
verplichting, vervat in artikel 23, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de goedkeuring is verleend,
handelt in strijd met een of meer andere uit de goedkeuring voortvloeiende
verplichtingen, of
d. blijkt dat de goedkeuring ten onrechte is
verleend.
§ 2a. Goedkeuring productieprocessen
Artikel 25a
1. Een goedkeuring van
een productieproces wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief door deze dienst verleend indien het productieproces van het voertuig,
het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het uitrustingstuk
of de voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers, waarvoor de
goedkeuring wordt gevraagd, bij een door de dienst verrichte keuring heeft
voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot
de toelating tot het verkeer op de weg. Deze eisen kunnen betrekking hebben op
het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden met betrekking tot
de productie van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische
eenheid, het uitrustingstuk of de voorziening ter
bescherming van weggebruikers en passagiers verricht.
2. Met een goedkeuring
van een productieproces wordt gelijkgesteld een goedkeuring van
productieprocessen van voertuigen en voertuigonderdelen:
a. die is verleend door het daartoe bevoegde
gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en is
verleend overeenkomstig de op het betrokken voertuig, systeem, onderdeel of de
technische eenheid betrekking hebbende, in het kader van de Europese Unie tot
stand gekomen voorschriften;
b. die is verleend door het daartoe bevoegde
gezag in een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende het aannemen
van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen
op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen
kunnen worden gemonteerd of gebruikt en is verleend overeenkomstig de
voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften
verleende goedkeuringen.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld betreffende de organisatie van de
aanvrager, het door de aanvrager voor de keuring ter beschikking stellen van
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, het door de
aanvrager overleggen van bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake
van de keuring alsmede betreffende de wijze waarop de keuring van een
productieproces wordt verricht.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot op voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen
ter bescherming van weggebruikers en passagiers, die zijn vervaardigd
overeenkomstig het goedgekeurde productieproces, aan te brengen keurmerken,
aanduidingen of gegevens.
Artikel 25a1
1. De Dienst Wegverkeer
kan met het oog op het verlenen van een goedkeuring van een productieproces een
technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor de goedkeuring
noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer
opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie
afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de
daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede
tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25b
1. De Dienst Wegverkeer
houdt toezicht op het productieproces van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers waarvoor de goedkeuring is verleend. Tot dit
toezicht kan behoren het steekproefsgewijs of periodiek controleren van de
organisatie van degene aan wie de goedkeuring is verleend alsmede van het
productieproces. Degene aan wie de goedkeuring is verleend, is gehouden aan
voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te
verlenen.
2. Degene aan wie een
goedkeuring is verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten
van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop
het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van
degene aan wie een goedkeuring is verleend.
Artikel 25b1
1. De Dienst Wegverkeer
kan met het oog op de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 25b,
eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde
toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de Dienst Wegverkeer
opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie
afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor
bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede
tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25c
Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer een goedkeuring van een productieproces vervalt.
Artikel 25d
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een goedkeuring van een productieproces in, indien degene aan wie de
goedkeuring is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een goedkeuring van een productieproces intrekken, indien:
a. degene aan wie de goedkeuring is verleend een
voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk
of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers doet of laat
doorgaan voor vervaardigd volgens een goedgekeurd productieproces, terwijl dat
voertuig, dat systeem, dat onderdeel, die technische eenheid, dat
uitrustingsstuk of die voorziening ter bescherming van weggebruikers en
passagiers niet is vervaardigd overeenkomstig het goedgekeurde productieproces,
b. degene aan wie de goedkeuring is verleend, de
verplichting, vervat in artikel 25b, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de goedkeuring is verleend,
handelt in strijd met een of meer andere uit de goedkeuring voortvloeiende
verplichtingen, of
d. blijkt dat de goedkeuring ten onrechte is
verleend.
Artikel 25e
1. Wanneer een fabrikant
reeds verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen, dan wel
reeds verkochte onderdelen of uitrustingsstukken, waarvoor een overeenkomstig
in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften afgegeven
typegoedkeuring is verleend, op grond van artikel 21, tweede lid, van de
Warenwet dient terug te roepen omdat het voertuig een ernstig gevaar vormt voor
de verkeersveiligheid, de volksgezondheid of het milieu, stelt de fabrikant de
goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend hiervan
onmiddellijk in kennis.
2. De fabrikant stelt de
goedkeuringsinstantie maatregelen voor om het in het eerste lid bedoelde gevaar
te neutraliseren.
3. De Dienst Wegverkeer
houdt toezicht op het terugroepen van voertuigen, onderdelen en
uitrustingsstukken.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid.
§ 3. Individuele goedkeuring
Artikel 26
1. Een goedkeuring voor een individueel voertuig
wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door
deze dienst verleend indien het voertuig bij een door de dienst verrichte
keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met
betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg, welke eisen voor
verschillende groepen van voertuigen verschillend kunnen worden gesteld.
2. Artikel 22, derde en
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26a
1. De Dienst Wegverkeer
kan met het oog op het verlenen van een goedkeuring voor een individueel
voertuig een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor de
goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door de Dienst
Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een
accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze
dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede
tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Keuringen ter uitvoering van
andere wetten
Artikel 27
De in artikel 22, eerste lid, of 26,
eerste lid, bedoelde goedkeuring wordt eerst verleend indien het voertuig bij
de keuring tevens heeft voldaan aan de eisen, gesteld krachtens de Wet inzake
de luchtverontreiniging en de Wet geluidhinder.
Artikel 28 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 5. Verbodsbepalingen
Artikel 33
1. Het is de eigenaar of
houder van een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid, dient te zijn
goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg verboden dit voertuig te
laten staan op de weg of daarmee over de weg te rijden alsmede de bestuurder
daarmee over de weg te laten rijden, indien het voertuig niet is goedgekeurd
voor toelating tot het verkeer op de weg.
2. Het eerste lid is
niet van toepassing op een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid, dient
te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg, maar waarvoor een
kentekenbewijs is afgegeven.
Artikel 34
1. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld, inhoudende een verbod om
voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, die niet ingevolge artikel 22, 25a
of 26 zijn toegelaten tot het verkeer op de weg, te vervaardigen, in te voeren,
in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of te vervoeren.
2. Ter uitvoering van
verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of
meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, worden de in
het eerste lid bedoelde regels vastgesteld bij regeling van Onze Minister.
3. De in het eerste lid
bedoelde regels betreffen het aanwijzen van de categorie van voertuigen,
voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, waarop het verbod betrekking heeft, de handelingen
waarop het verbod betrekking heeft alsmede de uitzonderingen op het verbod.
Artikel 35
Het is verboden een voertuig, systeem,
onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk of
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers, welk voertuig,
systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk
of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers niet ingevolge
artikel 22 of 26 is toegelaten, door het aanbrengen van een teken of tekens, het
afgeven van een bewijs of bewijzen dan wel het doen van mededelingen te doen of
laten doorgaan voor goedgekeurd voor zodanige toelating.
§ 6. Toepasselijkheid van dit
hoofdstuk op de goedkeuring voor het gebruik buiten de weg
Artikel 35a
In de ingevolge de artikelen 21,
eerste en derde lid, 22, eerste lid, 25a, eerste lid, 26, eerste lid, en 34,
eerste lid, vastgestelde regels kan ter uitvoering van verdragen of van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen
van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, worden bepaald dat zij mede
betrekking hebben op de goedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers voor gebruik buiten de weg.
Hoofdstuk IV. Kentekens en
kentekenbewijzen
§ 1. Kentekenplicht
Artikel 36
1. Aan de eigenaar of
houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg dient overeenkomstig
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst
Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.
2. Ter zake van de in
het eerste lid bedoelde opgave dient overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs te
zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig.
3. Het kentekenbewijs
dient:
a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering,
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren,
c. niet te zijn ingevorderd, en
d. behoorlijk leesbaar te zijn.
4. [Vervallen.]
5. Motorrijtuigen en
aanhangwagens dienen overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken
voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn
opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een bepaalde
afwijking van die gegevens is toegestaan.
6. Voor overtreding van
het eerste tot en met vijfde lid zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de
eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de
weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg
wordt gereden, de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de
eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een
motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de
aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder
van dat motorrijtuig.
7. De in het derde lid,
onderdeel a, bedoelde eisen kunnen mede dienstbaar zijn aan de heffing
van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en van de
motorrijtuigenbelasting.
8. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het tweede
lid.
Artikel 37
1. Artikel 36 is niet
van toepassing op:
a. de volgende categorieën motorrijtuigen
alsmede de door die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens:
1°. bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
categorieën bromfietsen, alsmede bromfietsen in het internationaal verkeer,
afkomstig uit een land waar voor deze voertuigen geen kenteken is opgegeven,
2°. landbouw- of bosbouwtrekkers,
3°. gehandicaptenvoertuigen en
4°. motorrijtuigen met beperkte snelheid;
b. in het buitenland geregistreerde
motorrijtuigen en aanhangwagens, die zich in het internationaal verkeer
bevinden, mits ter zake van de registratie van het betrokken voertuig door het
daartoe bevoegde gezag in het buitenland een bewijs is afgegeven dat voldoet
aan de daaraan gestelde eisen in de tussen Nederland en het betrokken land van
kracht zijnde internationale overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet aan
de eisen die in die overeenkomst dan wel bij algemene maatregel van bestuur ter
uitvoering van die overeenkomst aan dat voertuig worden gesteld met betrekking
tot de toelating tot het internationaal verkeer;
c. motorrijtuigen en aanhangwagens, mits wordt
voldaan aan nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels, die in
eigendom toebehoren aan of worden gehouden door:
1°. leden van een bij ministeriële regeling
aangewezen krijgsmacht of civiele dienst in de zin van artikel I van het op 19
juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de landen die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1953, 10), dan wel in de zin van artikel 3 van het bij
evenbedoeld verdrag behorende, op 28 augustus 1952 te
Parijs gesloten, protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire
hoofdkwartieren ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11), alsmede
2°. functionarissen van de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie die in Nederland zijn op grond van de briefwisseling tussen
de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
van 31 augustus en 11 september 1979 (Trb.1979, 159) en op wie het Verdrag
nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de
nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf
(Trb.1951, 139), van toepassing is.
2. Voor aanhangwagens
met een toegestane maximum massa van niet meer dan 750 kg alsmede voor
aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, afkomstig uit
een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven,
geldt het vereiste dat een kenteken dient te zijn opgegeven niet. Indien een
dergelijke aanhangwagen is verbonden met een in Nederland geregistreerd
motorrijtuig, dient die aanhangwagen te zijn voorzien van het kenteken dat is
opgegeven voor dat motorrijtuig.
3. Voor motorrijtuigen
en aanhangwagens, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke
persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 is
verleend of die voor herstel of bewerking ter beschikking zijn gesteld van een
natuurlijke persoon of rechtspersoon, geldt het vereiste dat een kenteken voor
een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven niet, mits overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels gebruik wordt gemaakt van
een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, door de Dienst Wegverkeer
aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel aan een natuurlijke
persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 is
verleend en die het voertuig ten behoeve van eerstbedoelde natuurlijke persoon
of rechtspersoon ten verkoop voorhanden heeft, opgegeven kenteken. De Dienst
Wegverkeer kan aan deze opgaven voorschriften verbinden. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het
gebruik van een zodanig kenteken verplicht is.
4. Met het toezicht op de naleving van de uit
het derde lid voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het toezicht heeft in
ieder geval betrekking op het gebruik van het in het derde lid bedoelde
kenteken. De aldaar bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gehouden
tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door
deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief. Bij
ministeriële regeling worden nadere regels omtrent het toezicht vastgesteld.
5. Bij algemene
maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat:
a. in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk
wordt of kan worden afgeweken van het in artikel 36, derde lid, onderdeel b of
c, bepaalde;
b. een motorrijtuig of een aanhangwagen op de
weg mag staan, indien het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs
ongeldig is verklaard ingevolge artikel 58, tweede lid, onderdeel b, c, d of f,
dan wel is ingevorderd overeenkomstig artikel 60.
6. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de omschrijving
van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde categorieën voertuigen alsmede
de voor die categorieën vastgestelde maximumsnelheid.
7. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde lid en
kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het vijfde lid.
§ 2. Kentekens
Artikel 38
1. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bepaalde categorieën van kentekens
slechts worden opgegeven aan bij die algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen personen of groepen van personen dan wel voor daarbij aan te wijzen
voertuigen of groepen van voertuigen, zulks onder daarbij te stellen
voorwaarden.
2. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 39 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 40
1. Het kenteken dient
behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te
zijn.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting,
het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld
omtrent de kentekenplaat en de onderdelen daarvan, alsmede de daarop aan te
brengen merken.
3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde
krachtens het tweede lid.
4. Voor overtreding van
het eerste lid dan wel het bepaalde krachtens het tweede of derde lid zijn
aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de
eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de
weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg
wordt gereden, de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de
eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een
motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de
aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder
van dat motorrijtuig.
Artikel 41
1. Het is verboden:
a. op een motorrijtuig of een aanhangwagen enig
teken of middel aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk de herkenning,
daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van
het ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken te bemoeilijken;
b. een motorrijtuig op de weg te laten staan of
daarmee over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te laten staan
of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat
motorrijtuig of die aanhangwagen enig teken of middel is aangebracht, waardoor
de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische
voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken wordt
bemoeilijkt;
c. op een motorrijtuig of een aanhangwagen een
teken, niet zijnde een ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor dat
motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen
aanbrengen met het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een zodanig kenteken
dan wel met de kennelijke bedoeling dat teken te doen doorgaan voor een
overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands
kenteken dan wel een met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven
kenteken;
d. een motorrijtuig op de weg te laten staan of
daarmee over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te laten staan
of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat
motorrijtuig of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een
ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die
aanhangwagen opgegeven kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken dan
wel voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven
buitenlands kenteken of een met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven
kenteken;
e. op een in het buitenland geregistreerd
motorrijtuig of een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen een teken,
niet zijnde een aldaar voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan
opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk dat
teken te doen doorgaan voor een zodanig kenteken;
f. een in het buitenland geregistreerd
motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel
een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen op de weg te laten staan of
met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig
of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een in het
buitenland voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan opgegeven
kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken.
2. Voor overtreding van
het eerste lid, onderdelen b, d en f, zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de
eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de
weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg
wordt gereden, de bestuurder, een en ander echter slechts indien de eigenaar,
houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op het
motorrijtuig een teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
dan wel een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht,
en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de
eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een
motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de
aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder
van dat motorrijtuig, een en ander echter slechts indien de eigenaar, houder of
bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op de aanhangwagen een
teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel een teken
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht.
§ 3. Registratie van kentekens
Artikel 41a
1. Voor de toepassing
van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. overheidsorgaan: bestuursorgaan als bedoeld
in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht en
personen of instanties als bedoeld in het tweede lid;
b. basisregistratie: verzameling gegevens
waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat;
c. authentiek gegeven: in een basisregistratie
opgenomen gegeven dat bij of krachtens wet als authentiek is aangemerkt.
2. Bij besluit van Onze
Minister kunnen personen of instanties die een publieke taak uitoefenen worden
aangewezen als overheidsorgaan, voor zover dit met het oog op hun publieke-taakuitoefening
naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is.
Artikel 42
1. Er is een
kentekenregister. Dit register is een basisregistratie.
2. De Dienst Wegverkeer
is de beheerder van het kentekenregister en verantwoordelijke als bedoeld in de
Wet bescherming persoonsgegevens.
3. In het
kentekenregister verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent motorrijtuigen
en aanhangwagens waarvoor een kenteken is opgegeven en de tenaamstelling van
die kentekens, alsmede omtrent andere motorrijtuigen en aanhangwagens.
4. Het verzamelen van de
gegevens, bedoeld in het derde lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. voor een goede uitvoering van het bepaalde
bij of krachtens deze wet en voor de handhaving van de bij of krachtens deze
wet gestelde voorschriften,
b. voor een goede uitvoering van het bepaalde
bij of krachtens de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet belasting zware
motorrijtuigen, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Wet
bereikbaarheid en mobiliteit, dan wel andere wettelijke regelingen ten aanzien
van motorrijtuigen of aanhangwagens en voor de handhaving van het bepaalde bij
of krachtens die wettelijke regelingen, en
c. om overheidsorganen te voorzien van gegevens
uit het kentekenregister voor zover zij aangeven deze gegevens nodig te hebben
voor een goede uitoefening van hun publieke taak.
5. De Dienst Wegverkeer
mag strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens ter vaststelling van mogelijk
strafbaar gedrag verwerken voor zover dit verband houdt met de in het vierde
lid, onderdelen a en b, genoemde doeleinden.
6. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en
het beheer van het kentekenregister.
Artikel 42a
1. De gegevens in het
kentekenregister worden onderscheiden in:
a. authentieke en niet-authentieke gegevens;
b. gevoelige en niet-gevoelige gegevens.
2. Als authentieke
gegevens worden aangemerkt:
a. gegevens die op grond van een bindend besluit
van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad
gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen verplicht op het
kentekenbewijs zijn opgenomen voor zover de desbetreffende gegevens niet reeds
op grond van een andere wettelijke bepaling als authentiek zijn aangemerkt;
b. de voertuigcategorieën genoemd in artikel 21,
eerste lid;
c. de tenaamstelling van een motorrijtuig of
aanhangwagen.
3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere authentieke gegevens of categorieën daarvan worden
aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens als authentiek worden
aangewezen de samenstelling van een uit een andere basisregistratie afkomstig
gegeven met een of meer gegevens uit het kentekenregister.
4. Bij algemene
maatregel van bestuur worden gevoelige en niet-gevoelige gegevens of
categorieën daarvan aangewezen.
Artikel 43
1. De Dienst Wegverkeer
verstrekt uit het kentekenregister gegevens aan overheidsorganen, voor zover
zij aangeven deze gegevens nodig te hebben voor een goede uitoefening van hun
publieke taak.
2. De Dienst Wegverkeer
verstrekt uit het kentekenregister gegevens aan autoriteiten buiten Nederland
en instellingen van volkenrechtelijke organisaties in bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen
gevoelige gegevens uit het kentekenregister verstrekken aan andere personen en
instanties dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Niet-gevoelige
gegevens kunnen aan een ieder worden verstrekt.
5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien
van de verstrekkingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. Deze
verstrekkingen geschieden op aanvraag en op een door de Dienst Wegverkeer te
bepalen wijze.
6. Onverminderd het
vijfde lid geschiedt de verstrekking van gegevens, als bedoeld in het derde en
vierde lid, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze,
van het voor de behandeling van de aanvraag door deze dienst vastgestelde
tarief.
7. Onverminderd het
zesde lid is degene die op grond van het eerste tot en met vierde lid een
aanvraag tot verstrekking van gegevens indient, in door de Dienst Wegverkeer te
bepalen gevallen, een door deze dienst te bepalen aansluittarief verschuldigd.
Artikel 43a
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het gebruik van de
ingevolge artikel 43, derde lid, verstrekte gegevens. Daarbij kunnen
beperkingen aan het gebruik van de verstrekte gegevens worden gesteld.
Artikel 43b
1. Een overheidsorgaan
dat bij de vervulling van zijn publieke taak een gegeven nodig heeft dat bij of
krachtens deze wet als authentiek gegeven is aangewezen en in het
kentekenregister is opgenomen, maakt gebruik van dat gegeven.
2. Het eerste lid is
niet van toepassing indien:
a. het overheidsorgaan ten aanzien van het
betreffende gegeven een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 43c, eerste
lid;
b. bij het betreffende gegeven een aantekening
is geplaatst als bedoeld in artikel 43c, derde lid;
c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;
d. een goede vervulling van de publieke taak van
het overheidsorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt
belet.
3. Een natuurlijke
persoon of rechtspersoon aan wie door een overheidsorgaan een gegeven wordt
gevraagd, waarop het eerste lid van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede
te delen, behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor een
deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene of van het voertuig.
Artikel 43c
1. Een overheidsorgaan
dat gerede twijfel heeft over de juistheid van een in het kentekenregister
opgenomen authentiek gegeven, meldt die twijfel, onder opgave van redenen, aan
de Dienst Wegverkeer.
2. Indien een melding
als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat afkomstig is
uit een andere basisregistratie zendt de Dienst Wegverkeer de melding door aan
de beheerder van dat register, tenzij met het overheidsorgaan dat een melding
als bedoeld in het eerste lid doet is afgesproken dat dit overheidsorgaan de
melding rechtstreeks doet aan de beheerder van het register waaruit het
authentieke gegeven afkomstig is.
3. De Dienst Wegverkeer
tekent na ontvangst van een melding als bedoeld in het eerste lid, op de door
deze dienst te bepalen wijze, in het kentekenregister aan dat het
desbetreffende gegeven «in onderzoek» is, tenzij het een melding betreft die op
grond van het tweede lid wordt doorgezonden aan de beheerder van een andere
basisregistratie.
4. Indien een melding
als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat bij of krachtens
deze wet als authentiek is aangewezen, besluit de Dienst Wegverkeer over
wijziging van het gegeven en bericht deze dienst het overheidsorgaan dat de
melding heeft gedaan onverwijld over deze beslissing.
5. Indien het besluit,
bedoeld in het vierde lid, leidt tot wijziging van het authentieke gegeven doet
de Dienst Wegverkeer onverwijld mededeling aan degene op wie het authentieke
gegeven betrekking heeft, dan wel aan degene aan wie het kentekenbewijs is
afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het desbetreffende
authentieke gegeven betrekking heeft.
6. De Dienst Wegverkeer
verwijdert de aantekening dat een gegeven in onderzoek is wanneer het besluit
omtrent wijziging onherroepelijk is.
7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
regels worden gesteld.
Artikel 43d
1. Indien de Dienst
Wegverkeer constateert dat een door deze dienst in het kentekenregister
geplaatst gegeven onjuist of ten onrechte in het kentekenregister is opgenomen,
wijzigt of verwijdert deze dienst dat gegeven.
2. Indien de Dienst
Wegverkeer constateert dat een gegeven ten onrechte niet in het
kentekenregister is opgenomen, neemt deze dienst dat gegeven alsnog in het
kentekenregister op.
3. Van de beslissing tot
wijzigen, verwijderen, dan wel alsnog opnemen van een authentiek gegeven in het
kentekenregister doet de Dienst Wegverkeer onverwijld mededeling aan degene op
wie het authentieke gegeven betrekking heeft, dan wel aan degene aan wie het
kentekenbewijs is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het
desbetreffende authentieke gegeven betrekking heeft.
Artikel 43e
1. Indien een
belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij
of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek
gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het
kentekenregister is opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de
Dienst Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat
gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer
beslist naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over
wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en bericht de
belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.
Artikel 43f
Onverminderd artikel 43c zijn
overheidsorganen gehouden om aan de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te
bepalen wijze mededeling te doen van de hen in de uitoefening van hun functie
ter kennis gekomen feiten, ingeval deze feiten aanleiding kunnen zijn om tot
wijziging of aanvulling van de in het kentekenregister opgenomen gegevens over
te gaan, dan wel anderszins van belang kunnen zijn voor de juistheid van deze
gegevens.
Artikel 44
1. De Dienst Wegverkeer
neemt maatregelen met het oog op het waarborgen van de juistheid, de
actualiteit en de volledigheid van het kentekenregister.
2. De Dienst Wegverkeer
laat ten minste eenmaal in de drie jaar een registeraccountant, dan wel een
accountant die is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36, eerste
lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, een oordeel geven
over de opzet en werking van het stelsel van interne beheersmaatregelen.
3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering
van het eerste en tweede lid.
Artikel 45
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien
van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 42 een reglement vast.
Artikel 45a
1. Met het toezicht op het
gebruik van uit het kentekenregister verstrekte gegevens zijn belast de bij
besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Indien de Dienst
Wegverkeer gerede twijfel heeft over de juistheid van een gegeven uit het
kentekenregister dat betrekking heeft op een motorrijtuig of aanhangwagen, kan
deze dienst degene aan wie het kentekenbewijs voor het betreffende motorrijtuig
of aanhangwagen is afgegeven gelasten dat voertuig ter inspectie aan de Dienst
Wegverkeer ter beschikking te stellen.
3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen door de Dienst
Wegverkeer een door deze dienst vastgesteld tarief ter zake van de kosten van toezicht
als bedoeld in het eerste lid of van de inspectie bedoeld in het tweede lid in
rekening wordt gebracht. Dit tarief wordt op door de Dienst Wegverkeer te
bepalen wijze in rekening gebracht.
4. Verstrekking van
gegevens uit het kentekenregister kan achterwege worden gelaten indien naar het
oordeel van de Dienst Wegverkeer sprake is van handelen in strijd met de
doeleinden waarvoor dan wel de voorwaarden waaronder is verstrekt.
Artikel 46
1. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffende de met de
registratie van kentekens samenhangende verplichtingen van degene:
a. die de eigendom, het bezit of het houderschap
van een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor nog geen kenteken is
opgegeven, heeft verkregen;
b. aan wie een kenteken is opgegeven;
c. die de eigendom, het bezit of het houderschap
van een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven,
heeft verkregen.
2. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.
§ 4. Kentekenbewijzen
Artikel 47
Een kentekenbewijs bestaat uit een of
meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen delen.
Artikel 48
1. Een kentekenbewijs
wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief slechts afgegeven
aan in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien
jaren dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op een kentekenbewijs voor
een bromfiets, de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en aan in Nederland
gevestigde rechtspersonen, indien het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor
de afgifte wordt verlangd, overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor
toelating tot het verkeer op de weg en, indien na die toelating wijziging is
aangebracht in de bouw of inrichting van dat voertuig, die wijziging, behoudens
in het geval dat geen goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel 99, eerste
lid, of 100, eerste lid, is goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde
voertuig tot het verkeer op de weg.
2. In bepaalde
uitzonderingsgevallen kan door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs worden
afgegeven, indien ten aanzien van het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor
de afgifte wordt verlangd, niet is voldaan aan het eerste lid.
3. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de ingevolge het eerste lid
gestelde eisen aan de aanvrager van een kentekenbewijs niet gelden ten aanzien
van de aanvrager van een kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave van
een kenteken als bedoeld in artikel 38.
4. Indien een
kentekenbewijs is afgegeven aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die
niet behoeft te zijn ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register
of waarvan de onderneming niet behoeft te zijn ingeschreven in het
handelsregister, wordt degene die bij de aanvraag als gemachtigde van die
rechtspersoon is opgetreden, voor de toepassing van het bepaalde bij of
krachtens deze wet mede als houder van het motorrijtuig of de aanhangwagen
aangemerkt in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel o.
5. De in het vierde lid
bedoelde gemachtigde dient in Nederland woonachtig te zijn en dient de leeftijd
van achttien jaren te hebben bereikt.
6. Ingeval de aanvrager van
een kentekenbewijs voor een bromfiets de leeftijd heeft van zestien of
zeventien jaar, wordt voor wat betreft de aanvraag de toestemming van diens
wettelijke vertegenwoordiger verondersteld te zijn verleend.
Artikel 48a
De Dienst Wegverkeer brengt aantekeningen
aan op dan wel verwijdert aantekeningen van het kentekenbewijs voor zover dat
bij of krachtens deze wet is voorgeschreven of mogelijk wordt gemaakt, dan wel
voor de goede uitvoering van deze wet wenselijk is.
Artikel 49
1. Onverminderd artikel
48, eerste lid, wordt de afgifte van een kentekenbewijs geweigerd:
a. indien bij een ingevolge hoofdstuk V
verrichte keuring blijkt dat de op het voertuig aangebrachte gegevens op
onrechtmatige wijze in overeenstemming zijn gebracht met de op het overgelegde
kentekenbewijs vermelde gegevens,
b. indien blijkt dat de ter zake van het
voertuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan,
c. indien blijkt dat de krachtens een algemeen
verbindend verklaarde overeenkomst op grond van de Wet milieubeheer
verschuldigde afvalbeheersbijdrage voor autowrakken
niet is voldaan, dan wel
d. in overige bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen gevallen overeenkomstig de bij die algemene maatregel vastgestelde
regels.
2. De afgifte van een
kentekenbewijs kan worden geweigerd indien:
a. voor het motorrijtuig of de aanhangwagen
waarvoor de afgifte wordt verlangd, op grond van het bij of krachtens deze wet
bepaalde geen kenteken behoeft te zijn opgegeven;
b. uit het kentekenregister blijkt dat de
eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen onvrijwillig de
beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren.
Artikel 50
1. De aanvrager van een
kentekenbewijs dient persoonlijk te verschijnen bij een bij ministeriële
regeling aan te wijzen instantie, tenzij:
a. de aanvraag namens hem wordt ingediend door
degene aan wie door de Dienst Wegverkeer een erkenning als bedoeld in artikel
62 is verleend dan wel, indien dit een rechtspersoon is, door diens
gemachtigde, en deze voldoende zekerheid heeft verkregen over de identiteit van
de aanvrager. Daartoe legt de aanvrager een document als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Paspoortwet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107
dan wel een rijbewijs als bedoeld in artikel 108, eerste lid, onderdeel h
voor zover de aldaar bedoelde registratie heeft plaatsgevonden, over. Degene
die namens de aanvrager de aanvraag indient, legt bij de bij ministeriële
regeling aan te wijzen instantie het document bedoeld in de tweede volzin over,
alsmede de volmacht en het bewijs dat aan hem een erkenning als bedoeld in
artikel 62 is verleend, of
b. volgens bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen regels op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen
over de identiteit van de aanvrager.
Indien
bij de aanvraag, bedoeld onder a, gebruik wordt gemaakt van een document
als bedoeld in artikel 2 van de Paspoortwet, dient bij de aanvraag tevens een
de aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens te worden overgelegd dat niet langer dan
drie maanden voor het tijdstip van de aanvraag is verstrekt. Onze Minister kan
de bevoegdheid van de krachtens artikel 62 erkende persoon om de aanvraag
namens de aanvrager in te dienen beperken tot één of meer specifiek voor die
persoon met name te noemen instanties. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels vastgesteld ter zake van de voorwaarden waaraan degene aan wie
ingevolge artikel 62 een erkenning is verleend, dient te voldoen om als gemachtigde,
bedoeld onder a, op te treden.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting om persoonlijk te
verschijnen niet geldt ten aanzien van de aanvrager van een kentekenbewijs,
afgegeven ter zake van de opgave van een kenteken als bedoeld in artikel 38.
3. Indien de aanvraag
geschiedt door een in Nederland gevestigde rechtspersoon die dient te zijn
ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register of waarvan de onderneming
dient te zijn ingeschreven in het handelsregister, geldt de verplichting om
persoonlijk te verschijnen voor degene die krachtens de statuten bevoegd is de
rechtspersoon te vertegenwoordigen. Indien er meerdere personen bevoegd zijn de
rechtspersoon te vertegenwoordigen, geldt de verplichting voor een van hen. Een
persoon die bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen, kan bij
gemachtigde verschijnen.
4. Indien de aanvraag
geschiedt door een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet behoeft te
zijn ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register of waarvan de
onderneming niet behoeft te zijn ingeschreven in het handelsregister, geldt de
verplichting om persoonlijk te verschijnen voor degene die door die
rechtspersoon is gemachtigd tot de aanvraag van het kentekenbewijs.
5. De aanvraag van een
kentekenbewijs dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels. Bij ministeriële regeling worden voorschriften
vastgesteld ter uitvoering van die regels.
6. De in het vijfde lid
bedoelde regels kunnen mede dienstbaar zijn aan de heffing van de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting alsmede aan
de afdracht van de krachtens een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst op
grond van de Wet milieubeheer verschuldigde afvalbeheersbijdrage
voor autowrakken.
7. Bij de in het vijfde
lid bedoelde regels kan worden bepaald in welke gevallen het motorrijtuig of de
aanhangwagen, waarvoor een kentekenbewijs wordt aangevraagd, voor een onderzoek
ter beschikking moet worden gehouden.
8. De Dienst Wegverkeer
is bevoegd te vorderen dat de aanvrager van een kentekenbewijs een door of
vanwege Onze Minister van Financiën afgegeven bewijs overlegt, waaruit blijkt
dat ter zake van het motorrijtuig of de aanhangwagen verschuldigde belastingen
en rechten zijn voldaan.
Artikel 51
1. Het is verboden voor
het verkrijgen van een kentekenbewijs opzettelijk onjuiste opgaven te doen,
onjuiste inlichtingen te verschaffen en onjuiste bewijsstukken en andere
bescheiden over te leggen.
2. Voor zover de bij de
aanvraag van een kentekenbewijs te verschaffen gegevens betreffen of mede
betreffen gegevens die nodig worden geacht ter zake van de heffing van de belasting
van personenauto’s en motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting, wordt
de verplichting tot het verstrekken van die gegevens beschouwd als een
ingevolge de belastingwet opgelegde verplichting en zijn, indien ter zake
onjuiste of onvolledige gegevens worden verstrekt - in afwijking van de
bepalingen van deze wet - de bepalingen van Hoofdstuk IX (Strafrechtelijke
bepalingen) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing.
Artikel 52
1. Indien voor het
voertuig waarvoor de afgifte van een kentekenbewijs wordt verlangd, een
kentekenbewijs als bedoeld in artikel 56 is afgegeven, kan de Dienst Wegverkeer
verlangen dat, alvorens een kentekenbewijs wordt afgegeven, dat eerder
afgegeven kentekenbewijs dient te worden ingeleverd.
2. Aan de afgifte van een kentekenbewijs kunnen
door de Dienst Wegverkeer voorschriften worden verbonden, zulks onder
aantekening daarvan in het bewijs.
Artikel 53
De Dienst Wegverkeer geeft bij de
afgifte van een kentekenbewijs tevens een keuringsbewijs voor het betrokken
voertuig af indien:
a. het voertuig is onderworpen aan een onderzoek
dat ten minste een controle inhoudt op de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste
lid, en
b. artikel 72 voor dat voertuig geldt of binnen
een jaar zal gaan gelden.
Artikel 54
Onze Minister kan aan besturen van
verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van
verkeersbelangen ten doel hebben, de bevoegdheid verlenen tot het afgeven van
internationale bewijzen voor motorrijtuigen en aanhangwagens, bedoeld in internationale
overeenkomsten, ten behoeve van het verkeer met motorrijtuigen en aanhangwagens
in het buitenland.
Artikel 55
1. Op aanvraag en tegen
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief, geeft deze dienst overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vervangende bewijzen af
voor:
a. kentekenbewijzen of delen daarvan, die
versleten, geheel of ten dele onleesbaar, verloren geraakt of teniet gegaan
zijn;
b. kentekenbewijzen in geval van vermissing van
de bijbehorende kentekenplaten.
2. Het vervangende
bewijs treedt in de plaats van het eerder afgegeven kentekenbewijs of deel
daarvan en wordt niet afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten dele
onleesbaar geworden kentekenbewijs of deel daarvan, waarvoor het wordt
afgegeven, is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 56
In bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen gevallen kan een kentekenbewijs met een beperkte
geldigheidsduur worden afgegeven.
Artikel 57
1. Onverminderd artikel
56 verliest een kentekenbewijs zijn geldigheid door:
a. [vervallen;]
b. afgifte van een nieuw kentekenbewijs dan wel
een vervangend kentekenbewijs;
c. het onbevoegd daarin aanbrengen van
wijzigingen;
d. schorsing als bedoeld in artikel 67, eerste
lid, voor de duur van de schorsing;
e. ongeldigverklaring.
2. In de gevallen waarin
overeenkomstig artikel 55 een vervangend bewijs is afgegeven voor een deel van
het kentekenbewijs, verliest het deel waarvoor dat vervangend bewijs is
afgegeven, zijn geldigheid.
3. De Dienst Wegverkeer
kan verlangen dat een kentekenbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren binnen
een daarbij bepaalde termijn bij deze dienst dient te worden ingeleverd.
Artikel 58
1. Een kentekenbewijs
wordt overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels
ongeldig verklaard:
a. indien het is afgegeven op grond van bij de
aanvraag verschafte onjuiste gegevens en dat kentekenbewijs niet zou zijn
afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag
bekend zou zijn geweest, dan wel
b. indien blijkt dat het kennelijk abusievelijk
is afgegeven.
2. Een kentekenbewijs
kan, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, ongeldig
worden verklaard:
a. indien de ter zake van het voertuig
verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan;
b. indien het voertuig waarvoor het is
afgegeven, niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen,
met uitzondering van de ingevolge hoofdstuk III met betrekking tot de toelating
tot het verkeer op de weg vastgestelde eisen;
c. indien in de bouw of inrichting van het
voertuig waarvoor het is afgegeven, wijzigingen zijn aangebracht, die niet zijn
goedgekeurd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet;
d. indien het voertuig waarvoor het
kentekenbewijs is afgegeven een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij
ministeriële regeling vastgestelde kenmerken, dan wel indien het voertuig na
herstel van de schade niet voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen
eisen ten aanzien van de wijze waarop de schade is hersteld;
e. indien de eigenaar of houder van een voertuig
onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren, mits wordt
voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden, dan
wel
f. in andere bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen gevallen.
3. De ongeldigverklaring
kan worden beperkt tot het rijden over de weg.
4. De Dienst Wegverkeer
kan een ongeldig verklaard kentekenbewijs geldig verklaren, dan wel geldig
verklaren voor het rijden over de weg, indien de reden voor ongeldigverklaring
is komen te vervallen.
Artikel 59
1. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent het verval van de
tenaamstelling in het kentekenregister. De tenaamstelling in het
kentekenregister vervalt in ieder geval zodra het kentekenbewijs ongeldig is
verklaard ingevolge artikel 58, tweede lid, onderdeel e.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld omtrent het herleven van
een vervallen tenaamstelling in het kentekenregister.
Artikel 60
1. De houder van een
kentekenbewijs is op eerste vordering van de bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen personen verplicht tot overgifte van dat
bewijs of van een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
delen daarvan, indien naar het oordeel van die personen:
a. ter zake van het voertuig, waarvoor het
kentekenbewijs is afgegeven, de verschuldigde belastingen en rechten niet zijn
voldaan;
b. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is
afgegeven, niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen,
met uitzondering van de ingevolge hoofdstuk III met betrekking tot de toelating
tot het verkeer op de weg vastgestelde eisen;
c. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is
afgegeven een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij ministeriële regeling
vastgestelde kenmerken, dan wel indien het voertuig na herstel van de schade
niet voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten aanzien van
de wijze waarop de schade is hersteld.
2. De in het eerste lid
bedoelde vordering kan eveneens worden gedaan indien naar het oordeel van de
daar bedoelde personen niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 52, tweede
lid, in het kentekenbewijs vermelde voorschriften.
3. Indien het een
kentekenbewijs betreft dat is afgegeven voor een aanhangwagen die
overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een
identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij die
maatregel vastgestelde termijn.
4. De in het eerste lid
bedoelde personen doen in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
gevallen het kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan zo spoedig mogelijk
toekomen aan de Dienst Wegverkeer.
5. De Dienst Wegverkeer
geeft het kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan terug:
a. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, indien ter zake van het voertuig alsnog de verschuldigde belastingen
en rechten zijn voldaan;
b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, indien het voertuig ter zake van de eisen waaraan het niet
voldeed, alsnog is goedgekeurd;
c. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, indien het schadevoertuig is goedgekeurd ingevolge bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen omtrent de wijze waarop de schade is
hersteld;
d. in het geval, bedoeld in het tweede lid,
indien alsnog wordt voldaan aan de krachtens artikel 52, tweede lid, in het
kentekenbewijs vermelde voorschriften.
6. De Dienst Wegverkeer
geeft bij de teruggave van het kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan
tevens een keuringsbewijs voor het betrokken voertuig af, indien:
a. het kentekenbewijs is ingevorderd omdat het
voertuig niet voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
b. het voertuig is onderworpen aan een onderzoek
dat ten minste een controle inhoudt op de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste
lid; en
c. artikel 72 voor dat voertuig geldt en binnen
een jaar zal gelden.
7. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de vordering van
kentekenbewijzen.
8. Bij ministeriële
regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere
regels worden vastgesteld omtrent het vijfde lid, onderdeel a.
Artikel 61
1. Het is verboden:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. ten opzichte van een motorrijtuig of een
aanhangwagen opzettelijk gebruik te maken van een kentekenbewijs dat niet aan
de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen is afgegeven,
als ware het aan deze voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven.
§ 5. Erkenningsregeling
bedrijfsvoorraad
Artikel 62
1. De Dienst Wegverkeer kan
aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor
deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom
heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.
2. Aan de erkenning
kunnen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden worden
verbonden; een zodanige bevoegdheid maakt deel uit van de erkenning. Het in de
artikelen 62 tot en met 66 ten aanzien van erkenningen bepaalde is van
overeenkomstige toepassing op bedoelde bevoegdheden.
3. De erkenning geldt
voor de in de erkenning aangewezen groep of groepen van voertuigen en kan
gelden voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
5. De in artikel 50,
eerste lid, aanhef bedoelde verplichting om bij de aanvraag van een
kentekenbewijs persoonlijk te verschijnen bij een bij ministeriële regeling
aangewezen instantie, geldt niet voor natuurlijke personen of rechtspersonen
aan wie een erkenning als bedoeld in het eerste lid is verleend.
Artikel 63
1. De erkenning wordt
door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door deze dienst
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief
verleend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de
administratieve organisatie van de natuurlijke persoon of rechtspersoon alsmede
de wijze waarop deze er voor zorgdraagt dat de aan de opname in
bedrijfsvoorraad verbonden procedures in acht worden genomen. Voorts kunnen
deze eisen mede dienstbaar zijn aan de uitvoering van de Wet milieubeheer.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de
aanvraag van een erkenning.
3. Bij ministeriële
regeling worden regels vastgesteld ter uitvoering van het krachtens het tweede
lid bepaalde.
4. De erkenning wordt
geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van
artikel 65, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van
indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van
zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de aanvrager
verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 64
1. Met het toezicht op
de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig
besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het
toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad
van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die
bedrijfsvoorraad door deze gevoerde administratie.
2. Degene aan wie een erkenning is verleend, is
gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde
tarief.
3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het
toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene
aan wie een erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd
met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 65
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een erkenning in, indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom
verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is
verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning
gestelde eisen,
b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 64, tweede lid, niet
nakomt, of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit
de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor een door
hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt
voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.
Artikel 65a
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen en
schorsen van de erkenning.
Artikel 66
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend, verboden zich op zodanige wijze
te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat
zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Schorsing
Artikel 67
1. Indien met een voertuig geen gebruik van de
weg wordt gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar of
houder van dat voertuig, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, de
geldigheid van het kentekenbewijs.
2. De hoogte van het in
het eerste lid bedoelde tarief kan voor verschillende groepen voertuigen dan
wel eigenaren of houders van voertuigen verschillend worden vastgesteld. Voor
aanvragen die worden ingediend binnen een jaar na de aanvraag van een schorsing
welke ingevolge artikel 68, eerste lid, onderdelen a en d, is geëindigd, kan
het tarief hoger worden vastgesteld dan het tarief voor laatstgenoemde
aanvraag.
3. De aanvraag van een
schorsing dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels.
4. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent het krachtens het derde lid
bepaalde.
5. De Dienst Wegverkeer
plaatst bij het verlenen van de schorsing overeenkomstig bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regels op het kentekenbewijs een aantekening waaruit
blijkt dat schorsing is verleend.
6. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent de aantekening van schorsing,
bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 68
1. De schorsing eindigt:
a. door opheffing als bedoeld in artikel 69,
b. door verloop van een jaar nadat de schorsing
is verleend,
c. door het verval van de tenaamstelling in het
kentekenregister, of
d. zodra met het voertuig gebruik van de weg
wordt gemaakt.
2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat in
bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk kan worden afgeweken van het eerste
lid, aanhef en onderdeel d.
Artikel 69
1. De schorsing wordt op
aanvraag van de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer opgeheven.
2. De aanvraag van
opheffing van de schorsing dient te geschieden overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels.
3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent het krachtens het tweede lid
bepaalde.
Artikel 70
1. Bij de aanvraag van
opheffing van de schorsing alsmede na het eindigen van de schorsing op grond
van artikel 68, eerste lid, aanhef en onderdeel b of d, dient degene aan wie de
schorsing is verleend, een nieuw kentekenbewijs of een of meer bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen delen daarvan aan te vragen.
2. De aanvraag dient te
geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief.
§ 7. Kentekenplaten
Artikel 70a
1. De Dienst Wegverkeer
kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is een of meer van de in artikel 40, tweede lid,
bedoelde bij de erkenning aangewezen merken aan te brengen.
2. Het is verboden om
zonder de in het eerste lid bedoelde erkenning de aldaar bedoelde merken aan te
brengen.
3. Bij ministeriële
regeling worden voorschriften vastgesteld die aan de erkenning worden verbonden
en worden met betrekking tot die voorschriften regels vastgesteld. Die regels
hebben in ieder geval betrekking op:
a. de fabricage en levering van kentekenplaten
en onderdelen daarvan en de daarbij te volgen procedure;
b. de registratie van gegevens met betrekking
tot de ingekochte materialen, de productie, de af- en uitval, de voorraad en de
aflevering van kentekenplaten en onderdelen daarvan.
Artikel 70b
1. De fabrikant van
kentekenplaten is in geval van levering van kentekenplaten verplicht tot het
vastleggen van gegevens omtrent: van:
a. het betrokken kenteken;
b. de aard en het nummer van het
identiteitsdocument van degene door, respectievelijk namens wie de
kentekenplaten worden aangevraagd, en
c. het aantal afgegeven kentekenplaten.
2. Indien de
kentekenplaten worden aangevraagd namens een rechtspersoon of door een daartoe
bij ministeriële regeling aangewezen erkend bedrijf als bedoeld in artikel 62, worden
in plaats van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, vastgelegd de
bij ministeriële regeling aangewezen gegevens.
3. Indien bij de
levering van kentekenplaten die door, respectievelijk namens een natuurlijk
persoon zijn aangevraagd, een ander identiteitsdocument dan een rijbewijs of
paspoort wordt overgelegd, wordt tevens vastgelegd de naam, de beginletters van
de voornaam of voornamen en het adres van degene door, respectievelijk namens
wie de kentekenplaten worden aangevraagd.
4. De fabrikant
verstrekt gegevens die zijn vastgelegd op grond van het eerste tot en met derde
lid in een registratie, uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren van de
Dienst Wegverkeer, belast met het toezicht op de naleving van de uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen, en aan de ambtenaren van politie
belast met de handhaving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen
en van de verboden, bedoeld in artikel 41, voor zover deze gegevens
noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van hun taak.
5. De vastgelegde
gegevens worden gedurende één jaar na de vastlegging bewaard.
6. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en het beheer
van het register.
Artikel 70c
1. Na afloop van de
termijn, bedoeld in artikel 70b, vijfde lid, worden de daar bedoelde
vastgelegde gegevens overgedragen aan de Dienst Wegverkeer.
2. Uit de registratie
worden door de Dienst Wegverkeer uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren
van politie belast met de handhaving van de uit de erkenning voortvloeiende
verplichtingen en van de verboden, bedoeld in artikel 41, gegevens verstrekt
voor zover deze noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van hun taak.
3. De vastgelegde
gegevens worden door de Dienst Wegverkeer maximaal vijf jaar na de overdracht,
bedoeld in het eerste lid, bewaard.
4. De Dienst Wegverkeer
stelt ten aanzien van het verwerken van de persoonsgegevens als bedoeld in het
eerste lid, een reglement vast.
Artikel 70d
1. De erkenning wordt op
aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze,
van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de
natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de administratieve
organisatie van de natuurlijke persoon of rechtspersoon alsmede de wijze waarop
deze ervoor zorg draagt dat de aan het aanbrengen van de merken verbonden
procedures in acht worden genomen.
2. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag van
een erkenning.
3. De erkenning wordt in
ieder geval geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op
grond van artikel 70f, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de
datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan
wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 70e
1. Met het toezicht op
de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig
besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het
toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de organisatie van
degene aan wie de erkenning is verleend.
2. Degene aan wie een
erkenning is verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten
van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het
toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene
aan wie een erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd
met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 70f
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een erkenning in, indien degene aan wie die erkenning is verleend, daarom
verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een erkenning intrekken of wijzigen dan wel de daaraan verbonden
voorschriften wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning
gestelde eisen;
b. een verplichting als bedoeld in artikel 70e
niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit
de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor een door
hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
Artikel 70g
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 70a is verleend, verboden zich op zodanige
wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Artikel 70h
Bij de verkrijging van een
kentekenplaat worden de bij ministeriële regeling aangewezen
identiteitsdocumenten en overige documenten overgelegd.
Artikel 70i
1. In geval van overdracht
van een motorrijtuig of aanhangwagen aan een erkend bedrijf als bedoeld in
artikel 62, ten behoeve van uitvoer naar het buitenland of voorgoed buiten
gebruikstelling, is de eigenaar of houder verplicht tot inlevering van de
betrokken kentekenplaten bij dat bedrijf tegelijk met de overdracht.
2. In geval van uitvoer
naar het buitenland anders dan door een erkend bedrijf als bedoeld in artikel
62, is de eigenaar of houder van het motorrijtuig of de aanhangwagen verplicht
tot inlevering van de betrokken kentekenplaten bij de Dienst Wegverkeer
tegelijk met de uitvoer.
3. Indien het
kentekenbewijs zijn geldigheid heeft verloren, anders dan in geval van het
eerste of het tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer verlangen dat de betrokken
kentekenplaten binnen een bepaalde termijn bij deze dienst worden ingeleverd.
Artikel 70j
1. Indien de betrokken
kentekenplaten overeenkomstig artikel 70i worden ingeleverd bij de Dienst
Wegverkeer onderscheidenlijk een erkend bedrijf als bedoeld in artikel 62 is deze
dienst, onderscheidenlijk dit bedrijf verplicht tot het vastleggen van gegevens
omtrent van:
a. het betrokken kenteken, en
b. het aantal ingeleverde kentekenplaten.
De
artikelen 70b, vierde tot en met zesde lid, en 70c zijn van overeenkomstige
toepassing
2. De Dienst Wegverkeer,
onderscheidenlijk het erkende bedrijf, is voorts, overeenkomstig bij
ministeriële regeling vast te stellen regels, verplicht tot vernietiging van de
ingeleverde kentekenplaten en tot registratie van de vernietiging.
Hoofdstuk IVA. Registratie van fietsen
en andere mobiele objecten
Artikel 70k
1. De Dienst Wegverkeer
houdt een register van fietsen.
2. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van het register alsmede de
verwerking, het gebruik en de verstrekking van de gegevens daaruit.
3. Het verzamelen van
gegevens ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde register geschiedt ter
voorkoming van diefstal en heling van fietsen, alsmede ten behoeve van de
opsporing van gestolen fietsen.
4. Registratie van
gegevens in het register geschiedt op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen
wijze. In door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen kan een door deze
dienst te bepalen aansluittarief verschuldigd zijn.
5. In door de Dienst
Wegverkeer te bepalen gevallen geschiedt de registratie van gegevens in, dan
wel verstrekking van gegevens uit het register tegen betaling van een door deze
dienst te bepalen tarief.
Artikel 70l
1. De Dienst Wegverkeer
houdt een register van bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van
mobiele objecten anders dan fietsen waarvoor op grond van deze wet geen
kenteken is opgegeven.
2. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van het register alsmede de
verwerking, het gebruik en de verstrekking van de gegevens daaruit.
3. Het verzamelen van
gegevens ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde register geschiedt ter
voorkoming van diefstal en heling van mobiele objecten, ten behoeve van de
opsporing van gestolen mobiele objecten, alsmede ten behoeve van andere, bij
ministeriële regeling te bepalen doeleinden, met inachtneming van artikel 2.
4. Het vierde en vijfde
lid van artikel 70k zijn van toepassing.
Hoofdstuk V. Gebruik van voertuigen op
de weg
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 71
Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan voertuigen moeten voldoen
waarmee over de weg wordt gereden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt
tussen verschillende wegen;
b. de inrichting van voertuigen die op de weg
staan;
c. de eisen waaraan voertuigen moeten voldoen
voor de afgifte van een keuringsbewijs;
d. de eisen waaraan ter uitvoering van verdragen
of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, moet worden voldaan
met betrekking tot het uitvoeren van onderhoud aan voertuigen.
Artikel 71a
Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat:
a. het voldoen aan de in artikel 71 bedoelde voorschriften
wordt aangetoond door middel van in die regels voorgeschreven apparatuur,
b. die apparatuur is goedgekeurd door een door
Onze Minister aangewezen keuringsinstelling,
c. die apparatuur alleen kan worden goedgekeurd
indien de in die regels genoemde technische specificaties van die apparatuur
die noodzakelijk zijn om het periodiek onderzoek, bedoeld in onderdeel d, uit
te kunnen voeren, op de in die regels aangegeven wijze bekend worden gemaakt,
d. die apparatuur met een in die regels vast te
stellen periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling, dan wel door
een door Onze Minister of door deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde en dat middelen die worden gebruikt
om die apparatuur voor gebruik geschikt te maken, zijn gecertificeerd door een
door die keuringsinstelling erkende instelling, en
e. bij de erkenning van een onderzoeksgerechtigde
of instelling als bedoeld in onderdeel d, wordt voldaan aan de in die regels
opgenomen voorschriften.
§ 2. Periodieke keuringsplicht
Artikel 72
1. Voor een motorrijtuig
of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn
opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven.
2. Het keuringsbewijs
dient:
a. te voldoen aan de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering,
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
3. Voor overtreding van
het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn
aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de
eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg
wordt gereden, de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de
eigenaar of houder, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig
over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.
Artikel 73
1. Artikel 72 geldt niet
indien:
a. voor het motorrijtuig of de aanhangwagen ter
zake van een keuring die ingevolge een andere dan deze wet is voorgeschreven en
blijkens aanwijzing bij ministeriële regeling ten minste een controle inhoudt
op de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, een keuringsdocument waarvan de
geldigheidsduur niet is verstreken, is afgegeven, dan wel
b. de geldigheid van het voor het betrokken
voertuig afgegeven kentekenbewijs is geschorst overeenkomstig paragraaf 6 van
hoofdstuk IV.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat:
a. artikel 72 niet geldt voor motorrijtuigen en
aanhangwagens zolang gerekend vanaf het tijdstip waarop deze voertuigen voor
het eerst op de weg zijn toegelaten, nog geen bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen termijn is verstreken, die voor verschillende groepen van
voertuigen, alsmede voor voertuigen die voor, onderscheidenlijk na een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip voor het eerst op de weg
zijn toegelaten verschillend kan worden vastgesteld; bij algemene maatregel van
bestuur kan nader worden bepaald op welk tijdstip een voertuig geacht wordt
voor het eerst op de weg te zijn toegelaten;
b. artikel 72 niet geldt voor nader aangewezen
groepen van motorrijtuigen of aanhangwagens. Hieronder vallen in ieder geval
aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg;
c. in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk
wordt of kan worden afgeweken van artikel 72;
d. artikel 72 gedurende een nader te bepalen
termijn na het tijdstip van verstrijken van de geldigheidsduur van het voor het
voertuig afgegeven keuringsbewijs niet geldt voor het op de weg staan van dat
voertuig.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot het tweede
lid, onderdelen b en c.
Artikel 74
Het is verboden ten opzichte van een
motorrijtuig of een aanhangwagen opzettelijk gebruik te maken van een
keuringsbewijs dat niet voor dat voertuig is afgegeven, als ware het voor dat
voertuig afgegeven.
§ 3. Aanvraag en afgifte van
keuringsrapporten
Artikel 75
1. Een keuringsbewijs
wordt door degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van keuringsrapporten
is belast, afgegeven op aanvraag en tegen betaling op de door deze vastgestelde
wijze van het door deze vastgestelde tarief indien het motorrijtuig of de
aanhangwagen heeft voldaan aan de eisen die ingevolge artikel 71, onderdeel c,
aan dat voertuig worden gesteld, voorzover deze eisen
niet ingevolge het tweede lid buiten toepassing blijven. Het hiervoor bedoelde
tarief omvat mede een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld bedrag ter zake van
het attenderen door deze dienst op de in artikel 72 opgenomen verplichting.
Indien degene die met de afgifte van keuringsrapporten is belast een persoon is
als bedoeld in artikel 78, eerste lid, onder b, draagt deze dit bedrag af aan
de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst vastgestelde wijze.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat voor nader aangewezen groepen van motorrijtuigen - zolang gerekend vanaf
het tijdstip waarop deze voertuigen voor het eerst op de weg zijn toegelaten,
nog geen bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn die ten
hoogste drie jaren bedraagt, is verstreken - ten behoeve van de afgifte van een
keuringsbewijs slechts behoeft te worden voldaan aan de in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde eisen die betrekking hebben op het bestrijden van
luchtverontreiniging. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden
bepaald op welk tijdstip een voertuig geacht wordt voor het eerst op de weg te
zijn toegelaten.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de in het tweede lid
bedoelde voorwaarden en groepen van motorrijtuigen.
Artikel 76
1. Bij de aanvraag van
een keuringsrapport dient de aanvrager de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde bescheiden over te leggen en inlichtingen te verschaffen.
2. De aanvrager dient
het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte van een keuringsrapport
wordt verlangd, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen regels ten behoeve van de afgifte van dat bewijs ter beschikking te
stellen van degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van
keuringsrapporten is belast.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop wordt onderzocht
of een voertuig voldoet aan de in artikel 75 bedoelde eisen, alsmede omtrent
hetgeen verder met betrekking tot de behandeling van de aanvraag van een
keuringsrapport noodzakelijk is.
Artikel 77
Het voor afgifte van een
keuringsrapport aangeboden voertuig dient overeen te stemmen met de in het
daarbij behorende kentekenbewijs en de in het kentekenregister vermelde
gegevens.
Artikel 78
1. Keuringsrapporten worden overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels afgegeven door:
a. de Dienst Wegverkeer in het kader van een
door deze dienst verrichte keuring van het voertuig waarvoor de afgifte wordt
gevraagd;
b. een ingevolge artikel 84 erkende natuurlijke
persoon of rechtspersoon in het kader van een door deze verrichte keuring van
het voertuig waarvoor de afgifte wordt gevraagd.
2. De Dienst Wegverkeer draagt er zorg voor dat
indien in onvoldoende mate keuringsrapporten kunnen worden afgegeven door
andere natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, dan die zich bezighouden met het verrichten van onderhoud of
reparaties aan motorrijtuigen of aanhangwagens, de Dienst Wegverkeer kan
voorzien in zodanige afgifte.
3. De Dienst Wegverkeer geeft geen
keuringsrapporten af voor zover in voldoende mate keuringsrapporten kunnen
worden afgegeven door natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, die zich niet bezighouden met het verrichten van
onderhoud of reparaties aan motorrijtuigen of aanhangwagens.
Artikel 79
Degene die ingevolge artikel 78 met de
afgifte van keuringsbewijzen is belast, doet van het voornemen tot de afgifte
van zodanig bewijs op de bij ministeriële regeling te bepalen wijze mededeling
aan de beheerder van het kentekenregister. Van de weigering van de afgifte van
een keuringsbewijs wordt mededeling gedaan in bij ministeriële regeling vast te
stellen gevallen.
Artikel 80
1. De Dienst Wegverkeer geeft voor
keuringsbewijzen die versleten of geheel of ten dele onleesbaar zijn, dan wel
verloren zijn geraakt of teniet zijn gegaan, op aanvraag en tegen betaling, op
de door deze dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief vervangende keuringsbewijzen af.
2. Een vervangend
keuringsbewijs wordt niet afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten
dele onleesbaar geworden bewijs is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
§ 4. Geldigheid keuringsbewijzen
Artikel 81
1. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt, voorzover nodig onder
daarbij te stellen voorwaarden, bepaald op welk tijdstip een keuringsbewijs
geldigheid verkrijgt en voor welke duur een keuringsbewijs geldig is. Deze duur
kan voor verschillende groepen van voertuigen, alsmede voor voertuigen die
voor, onderscheidenlijk na een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
tijdstip voor het eerst op de weg zijn toegelaten, verschillend worden
vastgesteld.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de in het
eerste lid bedoelde voorwaarden en groepen van motorrijtuigen.
Artikel 82
Onverminderd de artikelen 81, 86,
vierde lid, en 91, vierde lid, verliest een keuringsbewijs zijn geldigheid:
a. door afgifte van een vervangend
keuringsbewijs;
b. door het onbevoegd daarin aanbrengen van
wijzigingen.
§ 5. Erkenningsregeling periodieke
keuring en regeling bevoegdheid tot keuren
Artikel 83
1. De Dienst Wegverkeer
kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is keuringsrapporten af te geven voor motorrijtuigen
en aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van bussen als
bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.
2. Een erkenning geldt
voor motorrijtuigen en aanhangwagens, die behoren tot een in de erkenning
aangewezen groep, en kan gelden voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. De
aanwijzing kan geen betrekking hebben op de leeftijd of het merk van
motorrijtuigen en aanhangwagens.
3. Een erkenning,
verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een keuringsdienst
of een onderhoudsdienst voor het eigen wagenpark exploiteert, geldt slechts
voor de eigen voertuigen.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
Artikel 84
1. De erkenning wordt op aanvraag en tegen
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke persoon of
rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze
eisen betreffen onder meer de voor de keuringen benodigde apparatuur en ruimte
alsmede de deskundigheid van de voor de keuringen beschikbare personen. Ten
aanzien van de voor de keuringen benodigde apparatuur kan bij die ministeriële
regeling de eis worden gesteld dat die apparatuur is goedgekeurd door een door
Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die regeling vast
te stellen periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling dan wel
door een door deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde
en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat middelen die worden gebruikt om deze apparatuur voor gebruik
geschikt te maken zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling
erkende instelling en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot die
erkenning.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag van een
erkenning.
3. De erkenning wordt
geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van
artikel 87, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van
indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van
zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de aanvrager
verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 85
De erkende natuurlijke personen of
rechtspersonen zijn verplicht het door de aanvrager ter keuring aangeboden
voertuig te keuren, indien zij daartoe gerechtigd zijn.
Artikel 85a
1. De Dienst Wegverkeer
kan aan een natuurlijke persoon de bevoegdheid verlenen motorrijtuigen en
aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van bussen als
bedoeld in de Wet personenvervoer, aan een keuring te onderwerpen. Ten bewijze
van deze bevoegdheid verstrekt de Dienst Wegverkeer de betrokken persoon een
bevoegdheidspas.
2. De bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen geldt voor motorrijtuigen en
aanhangwagens die behoren tot een in de verlening van de bevoegdheid voertuigen
aan een keuring te onderwerpen aangewezen groep, en kan gelden voor bepaalde of
onbepaalde tijd.
3. De bevoegdheid voertuigen
aan een keuring te onderwerpen wordt verleend indien de natuurlijke persoon
beschikt over een examencertificaat van een door Onze Minister aangewezen
exameninstantie en overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen. Daarbij kan aan de Dienst Wegverkeer de bevoegdheid worden verleend
voorwaarden vast te stellen ten aanzien van het voldoen aan deze eisen.
4. Bij ministeriële
regeling worden regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag tot het
verlenen van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen en met
betrekking tot de bevoegdheidspas.
5. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
6. Het tarief voor het
examen dat de natuurlijke persoon dient af te leggen om het in het derde lid
bedoelde certificaat te verkrijgen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 86
1. De Dienst Wegverkeer
onderwerpt ten minste drie van elke honderd voertuigen na een verrichte keuring
steekproefsgewijs aan een herkeuring met het oog op het toezicht op:
a. de juiste uitvoering van de keuring;
b. het aan een keuring onderwerpen door daartoe
bevoegde natuurlijke personen.
2. De eigenaar of houder
van een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een herkeuring wordt geëist,
is verplicht het voertuig op de plaats van de keuring beschikbaar te houden
totdat de herkeuring heeft plaatsgevonden. Deze verplichting geldt voor een
periode van ten hoogste 90 minuten na de in artikel 79 bedoelde mededeling.
3. Het keuringsrapport
van een motorrijtuig of een aanhangwagen waarvoor een herkeuring wordt geëist
wordt pas afgegeven op het moment dat de periode genoemd in het vorige lid is
verstreken of nadat de herkeuring heeft plaatsgevonden.
4. De geldigheid van het
keuringsbewijs vervalt indien de eigenaar of houder niet voldoet aan de in het
tweede lid bedoelde verplichtingen of indien het motorrijtuig of de
aanhangwagen bij de herkeuring niet voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel
75, eerste lid.
5. Met het toezicht op
de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig
besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
6. Degene aan wie een erkenning is verleend, is
gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde
tarief.
7. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop de
steekproef wordt uitgevoerd, alsmede betreffende de verplichting tot
medewerking daaraan van de eigenaar of houder. Deze regels kunnen inhouden dat
een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in
strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen of in
strijd met een of meer uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 86a
1. De Dienst Wegverkeer
laat met het oog op het toezicht op het verrichten van keuringen, keuringen
uitvoeren door het ter keuring aanbieden van een voertuig in bij ministeriële
regeling vast te stellen gevallen.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop de
keuring wordt uitgevoerd. Deze regels kunnen inhouden dat verscherpt toezicht
wordt gehouden indien blijkt dat er door een natuurlijke persoon die daartoe
niet bevoegd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met
uitzondering van bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer, aan een keuring
worden onderworpen.
Artikel 87
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een erkenning in, indien degene aan wie die erkenning is verleend, daarom
verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is
verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning
gestelde eisen,
b. in strijd met de eisen, bedoeld in artikel
75, eerste lid, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een
keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen,
c. een keuringsrapport afgeeft voor een
motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor de erkenning niet geldt,
d. de verplichting, vervat in artikel 85, 86,
zesde lid, 90, vierde lid, of 91, vierde lid, niet nakomt,
e. weigert een keuringsbewijs af te geven voor
een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor de erkenning geldt, hoewel dat voertuig
bij een keuring, verricht met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel
76, derde lid, voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, of
f. handelt in strijd met een of meer andere uit
de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, d en f,
een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die
ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt
voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.
Artikel 87a
1. De Dienst Wegverkeer
trekt de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen in, indien
degene aan wie die bevoegdheid is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de
daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie die bevoegdheid
is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen gestelde eisen,
b. in strijd met de regels, bedoeld in artikel
76, derde lid, een voertuig aan een onderzoek onderwerpt,
c. handelt in strijd met een of meer andere uit
de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen voortvloeiende
verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c, de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen schorsen voor een door
deze dienst daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken
bedraagt.
Artikel 88
1. De kennisgeving van
het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend
verzoek van de belanghebbende in een beschikking vastgelegd.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het toezicht en
het verscherpen daarvan, alsmede met betrekking tot het intrekken, wijzigen en
schorsen van de erkenning of bevoegdheid tot keuren.
Artikel 89
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 83 is verleend, verboden zich op zodanige
wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Herkeuring en
deskundigenonderzoek
Artikel 90
1. Tegen een beschikking
tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs kan een belanghebbende
bezwaar maken of administratief beroep instellen bij de Dienst Wegverkeer.
2. In afwijking van artikel
6:7 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een beschikking tot weigering
van de afgifte van een keuringsbewijs slechts bezwaar worden gemaakt of
administratief beroep worden ingesteld terstond nadat de beschikking is
bekendgemaakt.
3. Het bezwaar of
administratief beroep wordt slechts in behandeling genomen indien het voertuig
in de staat waarin het zich ten tijde van de keuring bevond, onmiddellijk op
een door de Dienst Wegverkeer bepaalde plaats ter beschikking wordt gesteld ten
behoeve van een herkeuring door een door de Dienst Wegverkeer aangewezen
deskundige.
4. In afwijking van de
artikelen 7:15 en 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht dient bij de indiening
van het bezwaar- of beroepschrift een bedrag ter vergoeding van de aan de herkeuring
verbonden kosten te worden betaald. De hoogte van het bedrag en de wijze van
betaling worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Degene die de
beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs heeft gegeven,
wordt in de gelegenheid gesteld bij de herkeuring aanwezig te zijn.
6. Indien het voertuig volgens het oordeel van
de deskundige voldoet aan de in artikel 75 bedoelde eisen, geeft de Dienst
Wegverkeer alsnog het aangevraagde keuringsbewijs af en wordt het in het vierde
lid bedoelde bedrag terugbetaald aan de indiener van het bezwaar- of
beroepschrift. Is in dit geval de beschikking tot weigering van de afgifte van
een keuringsbewijs gegeven door een erkende natuurlijke persoon of
rechtspersoon, dan is deze vorenbedoeld bedrag verschuldigd aan de Dienst
Wegverkeer en gehouden dit te betalen op de door deze dienst vastgestelde
wijze.
Artikel 91
1. Tegen een beschikking
tot afgifte van een keuringsbewijs kan een belanghebbende bezwaar maken of
administratief beroep instellen bij de Dienst Wegverkeer.
2. In afwijking van
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een beschikking tot
afgifte van een keuringsbewijs bezwaar worden gemaakt of administratief beroep
worden ingesteld gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te stellen
termijn.
3. Het bezwaar of
administratief beroep wordt slechts in behandeling genomen indien het voertuig
op een door de Dienst Wegverkeer bepaalde plaats ter beschikking wordt gesteld
ten behoeve van een onderzoek door een door de Dienst Wegverkeer aangewezen
deskundige.
4. In afwijking van de
artikelen 7:15 en 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht dient bij de indiening
van het bezwaar- of beroepschrift een bedrag ter vergoeding van de aan het
onderzoek verbonden kosten te worden betaald. De hoogte van het bedrag en de
wijze van betaling worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Degene die de
beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs heeft gegeven, wordt in de
gelegenheid gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn.
6. Indien het voertuig
volgens het oordeel van de deskundige ten tijde van de keuring op grond waarvan
het keuringsbewijs is afgegeven, redelijkerwijze niet aan de keuringseisen kan
hebben voldaan, daarbij in het bijzonder gelet op de termijn die is verstreken
tussen de keuring en het onderzoek, verklaart de Dienst Wegverkeer het voor het
voertuig afgegeven keuringsbewijs alsnog ongeldig en wordt het in het vierde
lid bedoelde bedrag terugbetaald aan de indiener van het bezwaar- of
beroepschrift. Is in dit geval de beschikking tot afgifte van een
keuringsbewijs gegeven door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon,
dan is deze vorenbedoeld bedrag verschuldigd aan de Dienst Wegverkeer en
gehouden dit te betalen op de door deze dienst vastgestelde wijze.
Artikel 92 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 95 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 96 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 97 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 7. Wijziging in de constructie van voertuigen
Artikel 98
Indien in de bouw of inrichting van
een voertuig dat ingevolge hoofdstuk III tot het verkeer op de weg is
toegelaten, na die toelating wijziging is aangebracht, dient die wijziging, voorzover dit bij ministeriële regeling is bepaald, te zijn
goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de
weg.
Artikel 99
1. Goedkeuring wordt op
aanvraag en tegen betaling op door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend,
indien de aangebrachte wijziging bij een door deze dienst verrichte keuring
heeft voldaan aan de ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze
goedkeuring vastgestelde eisen. De keuring kan mede omvatten die delen van het
voertuig waarvoor de aangebrachte wijziging gevolgen heeft.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld betreffende het door de aanvrager voor
de keuring ter beschikking stellen van het voertuig, het door de aanvrager
overleggen van bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake van de
keuring alsmede betreffende de wijze waarop de keuring wordt verricht.
3. In de bij
ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt voor het gewijzigde voertuig
een nieuw kentekenbewijs afgegeven waarop melding wordt gemaakt van de
goedgekeurde wijziging.
§ 8. Erkenningsregeling wijziging
constructie voertuigen
Artikel 100
1. De goedkeuring voor
een wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig wordt door de Dienst
Wegverkeer verleend zonder dat de in artikel 99 bedoelde keuring heeft
plaatsgevonden, indien door een daartoe door de Dienst Wegverkeer erkende
natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt gewaarborgd dat de aangebrachte
wijziging voldoet aan de ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze
goedkeuring vastgestelde eisen.
2. De erkenning geldt
voor de in de erkenning aangegeven werkzaamheden ter zake van het wijzigen van
de bouw of inrichting van voertuigen die behoren tot een in de erkenning
aangewezen groep. De erkenning kan gelden voor bepaalde of voor onbepaalde
tijd.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
Artikel 101
1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer
op aanvraag en tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde wijze, van
het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend aan de natuurlijke
persoon of rechtspersoon die voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de organisatie van de
aanvrager alsmede het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden verricht,
alsmede de voor de werkzaamheden benodigde apparatuur. Ten aanzien van de voor
de werkzaamheden benodigde apparatuur kan bij die ministeriële regeling de eis
worden gesteld dat die apparatuur is goedgekeurd door een door Onze Minister
aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die regeling vast te stellen
periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling dan wel door een door
deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde
en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat middelen die worden gebruikt om deze apparatuur voor gebruik
geschikt te maken zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling
erkende instelling en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot die
erkenning.
2. Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag
tot erkenning. Bij ministeriele regeling worden nadere regels vastgesteld met
betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
3. De erkenning wordt
geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van
artikel 103, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van
indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van
zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de aanvrager
verleende erkenning is ingetrokken.
4. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt
voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.
Artikel 102
1. Met het toezicht op
de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig
besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Tot
dit toezicht kan behoren het steekproefsgewijs keuren van door een erkende
natuurlijke persoon of rechtspersoon aangebrachte wijzigingen in de bouw of
inrichting van voertuigen. Voorts kan tot het toezicht behoren het periodiek
controleren van de organisatie van degene aan wie de erkenning is verleend
alsmede het proces volgens hetwelk hij zijn werkzaamheden verricht.
2. Degene aan wie een erkenning is verleend, is
gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde
tarief.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop
het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van
degene aan wie een erkenning is verleend en van de eigenaar of houder van het
voertuig waarvoor een keuring wordt geëist. Deze regels kunnen inhouden dat een
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd
met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
4. De kennisgeving van
het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van datacommunicatie.
In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de
belanghebbende in een beschikking vastgelegd.
Artikel 103
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een erkenning in, indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom
verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is
verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning
gestelde eisen,
b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 102, tweede lid, niet
nakomt, of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit
de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor een door
hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
Artikel 103a
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen en
schorsen van de erkenning.
Artikel 104
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 100 is verleend, verboden zich op zodanige
wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 9. Keuring na ongeldigverklaring of
invordering kentekenbewijs
Artikel 105
Indien het voor een motorrijtuig of
een aanhangwagen afgegeven kentekenbewijs ingevolge artikel 58, tweede lid,
onderdeel b of d, ongeldig is verklaard of is ingevorderd ingevolge artikel 60,
eerste lid, onderdeel b of c, dient het voertuig alvorens het kentekenbewijs
door de Dienst Wegverkeer geldig kan worden verklaard of kan worden
teruggegeven, te zijn goedgekeurd.
Artikel 106
1. De goedkeuring wordt
op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst
verleend, indien het voertuig bij een door de dienst verrichte keuring heeft
beantwoord aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld betreffende het door de aanvrager
voor de keuring ter beschikking stellen van het voertuig, het door de aanvrager
overleggen van bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake van de
keuring alsmede betreffende de wijze waarop de keuring wordt verricht.
§ 9a. Erkenningsregeling keuring van
schadevoertuigen
Artikel 106a
1. De goedkeuring van
een schadevoertuig na ongeldigverklaring of invordering van het kentekenbewijs
kan door de Dienst Wegverkeer worden verleend zonder dat de in artikel 106
bedoelde keuring heeft plaatsgevonden, indien door een daartoe door de Dienst
Wegverkeer erkende natuurlijk persoon of rechtspersoon wordt gewaarborgd dat
het voertuig voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 106, eerste lid.
2. De erkenning geldt
voor de in de erkenning aangegeven werkzaamheden ter zake van voertuigen die
behoren tot een in de erkenning aangewezen groep. De erkenning kan gelden voor
bepaalde of onbepaalde tijd.
3. De artikelen 100,
derde lid, en 101 tot en met 103 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 106b
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 106a is verleend, verboden zich op zodanige
wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Hoofdstuk VI. Rijvaardigheid en
rijbevoegdheid
Afdeling 1. Rijbewijsplicht
Artikel 107
1. Aan de bestuurder van
een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs
te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe
dat motorrijtuig behoort.
2. Het rijbewijs dient:
a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling,
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
3. Indien de aanvrager
als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van
een gemeente, wordt het in de basisadministratie opgenomen burgerservicenummer,
bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, op de bij ministeriële regeling
vastgestelde wijze op het rijbewijs vermeld. Indien de aanvrager niet als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een
gemeente, wordt op het rijbewijs een bij ministeriële regeling vastgestelde
aanduiding vermeld.
Artikel 108
1. Artikel 107 is niet
van toepassing op bestuurders van:
a. bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel e, subonderdeel d, en gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust
met een motor, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte
snelheid;
b. motorrijtuigen, gedurende de tijd dat aan die
bestuurders rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen
1993 wordt gegeven, voor zover het motorrijtuig daarbij niet onder toezicht
wordt bestuurd en overigens is voldaan aan de bij algemene maatregel van
bestuur gestelde voorwaarden;
c. motorrijtuigen, gedurende de tijd dat door
die bestuurders een rijproef wordt afgelegd in het kader van een onderzoek,
door of vanwege de overheid ingesteld, naar hun rijvaardigheid of geschiktheid,
voor zover het motorrijtuig daarbij niet onder toezicht wordt bestuurd en
overigens is voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde
voorwaarden;
d. motorrijtuigen, indien die bestuurders
vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 zijn, die op grond van hun
hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek of consulair personeel dan wel
op grond van hun hoedanigheid van of betrekking tot personeel in dienst van een
in Nederland gevestigde internationale organisatie houder zijn van een door
Onze Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt identiteitsbewijs voor
geprivilegieerden en aan wie, tenzij het een bestuurder van een bromfiets
betreft, door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland een rijbewijs is
afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee
wordt gereden;
e. motorrijtuigen, indien die bestuurders lid
zijn van een krijgsmacht of behoren tot de civiele dienst van een krijgsmacht
die in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de
Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie
van hun krijgsmachten, in Nederland is gelegerd, dan wel behoren tot het gezin
van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een
tot de civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, en aan wie,
tenzij het een bestuurder van een bromfiets betreft, door het daartoe bevoegde
gezag in de Staat van herkomst of één van zijn samenstellende delen een
rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als
waarmee wordt gereden;
f. motorrijtuigen, anders dan bromfietsen,
indien die bestuurders buiten Nederland woonachtig zijn en zij zich bevinden in
het internationaal verkeer, mits aan hen door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een
motorrijtuig als waarmee wordt gereden alsmede, in de gevallen waarin zulks is
vereist op grond van internationale overeenkomsten die Nederland binden, aan
hen buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven dat geldig is
voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden;
g. motorrijtuigen, anders dan bromfietsen,
indien die bestuurders in Nederland woonachtig zijn en aan hen door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, een
rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als
waarmee wordt gereden, zo lang sedert de dag waarop zij zich in Nederland
hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken;
h. motorrijtuigen, indien die bestuurders in
Nederland woonachtig zijn en aan hen door het daartoe bevoegde gezag in een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in
een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, een rijbewijs is afgegeven dat geldig is
voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden, gedurende de
periode die is gelegen tussen de datum van vestiging van die bestuurders in
Nederland en de datum waarop sedert de datum van afgifte van dat rijbewijs tien
jaren zijn verstreken dan wel, indien die periode korter is dan een jaar,
gedurende een jaar vanaf het moment van vestiging van die bestuurders in
Nederland;
i. bromfietsen, indien:
1°. die bestuurders buiten Nederland woonachtig
zijn en zij zich bevinden in het internationaal verkeer;
2°. die bestuurders die afkomstig zijn uit een
Staat anders dan een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen, een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die in Nederland woonachtig
zijn, zo lang sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben gevestigd, nog
geen 185 dagen zijn verstreken;
3°. die bestuurders die afkomstig zijn uit een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland en in Nederland woonachtig zijn, en die niet
beschikken over een rijbewijs dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van
motorrijtuigen van een andere categorie dan bromfietsen, zolang sedert de dag
waarop zij zich in Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn
verstreken.
2. Bij ministeriële
regeling worden voorschriften vastgesteld ter uitvoering van de in het eerste
lid, onderdelen b en c, bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Artikel 108a [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 108b [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 108c [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 109 [Vervallen per 29-12-2004]
Artikel 110
1. Motorrijtuigen mogen
slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van achttien jaren of,
voor zover het betreft motorrijtuigen, al dan niet met aanhangwagen, die zijn
ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder
niet begrepen, de leeftijd van eenentwintig jaren hebben bereikt.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan een lagere minimumleeftijd dan die in het eerste lid
genoemd, worden vastgesteld voor het besturen van bromfietsen,
gehandicaptenvoertuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met
beperkte snelheid, niet zijnde stoom- en motorwalsen.
3. Het eerste lid geldt
niet voor degene aan wie rijonderricht wordt gegeven in het kader van een
opleiding voor beroepschauffeur, mits is voldaan aan de bij algemene maatregel
van bestuur gestelde voorwaarden.
Afdeling 2. Eisen ten aanzien van het
geven van rijonderricht
Artikel 110a
1. Bij algemene
maatregel van bestuur worden eisen vastgesteld met betrekking tot
motorrijtuigen waarmee:
a. rijonderricht in de zin van de Wet
rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven;
b. in het kader van een door of vanwege de
overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid een
rijproef wordt afgelegd.
2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels ter uitvoering van het eerste lid worden
vastgesteld.
Artikel 110b
1. Het is degene die
rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft, verboden
zodanig rijonderricht te geven indien:
a. het motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt
gegeven, niet voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 110a gestelde eisen;
b. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven,
de leeftijd van achttien jaren of, voor zover het betreft motorrijtuigen, al
dan niet met aanhangwagen, die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan
acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, de leeftijd van
eenentwintig jaren, dan wel, voor zover het bromfietsen betreft, de leeftijd
van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c. niet wordt voldaan aan de overigens bij
algemene maatregel van bestuur ten aanzien van het geven van rijonderricht
gestelde eisen.
2. Het eerste lid,
aanhef en onderdeel b, geldt niet voor zover het rijonderricht betreft dat
plaatsvindt in het kader van een opleiding voor beroepschauffeur, mits is
voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.
Afdeling 3. Algemene voorwaarden met
betrekking tot de verkrijging van rijbewijzen
Artikel 111
1. Een rijbewijs wordt
op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts
afgegeven aan degene die:
a. de leeftijd van achttien jaren of, voor zover
het betreft een rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen, al dan niet met
aanhangwagen, die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen,
de bestuurder daaronder niet begrepen, de leeftijd van eenentwintig jaren heeft
bereikt, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een
rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt en
b. blijkens een overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld
onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat
voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt
over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de
aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het
besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid.
2. De aanvrager van een
rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de
uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van
de Wet op de identificatieplicht, een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan
hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken
van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met
een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht, een geldig
rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid
heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.
3. Aan degene die
vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van
een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien
hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en
met d en l van die wet. Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin
van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte
van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te
verstrekken.
4. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid,
onderdeel b.
5. In de gevallen waarin
het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester
dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste
lid, wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde
tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden
het tarief en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst
Wegverkeer.
6. Voor zover dit
noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en
geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat
onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en
gezondheid verwerkt.
Artikel 112
1. Onverminderd artikel
111 wordt een rijbewijs niet afgegeven aan degene:
a. aan wie de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen is ontzegd, voor de duur van de ontzegging;
b. van wie ingevolge een der artikelen 130,
tweede lid, of 164 de overgifte van dat bewijs is
gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven;
c. ten aanzien van wie ingevolge artikel 131,
tweede lid, onderdeel a, de geldigheid van het rijbewijs is geschorst, voor de
categorie of categorieën van motorrijtuigen waarop de schorsing betrekking
heeft, voor de duur van de schorsing;
d. van wie ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van
het rijbewijs is gevorderd dan wel wiens rijbewijs krachtens die wet is
ingenomen, of
e. van wie is gebleken dat die houder is van een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, tenzij de afgifte van een rijbewijs plaatsvindt tegen
overlegging van dat rijbewijs.
2. Voor de toepassing
van het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt onder
rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Afdeling 4. Aanvraag van rijbewijzen
Artikel 113
1. De aanvraag van een
rijbewijs dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels.
2. Degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen, verschaft zich de nodige zekerheid over de
identiteit van de aanvrager. Hij is bevoegd te vorderen dat de aanvrager op een
door hem te bepalen plaats en tijd persoonlijk verschijnt voor een door hem
aangewezen persoon.
3. Degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen vergewist zich ervan dat de bij de aanvraag van
een rijbewijs over te leggen bescheiden aan de daaraan gestelde eisen voldoen
en dat ook overigens aan de met betrekking tot de aanvraag gestelde voorwaarden
wordt voldaan.
4. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste tot en
met het derde lid.
Artikel 114
Het is verboden voor het verkrijgen
van een rijbewijs opzettelijk onjuiste opgaven te doen, onjuiste inlichtingen
te verschaffen en onjuiste bewijsstukken en andere bescheiden over te leggen.
Artikel 115
1. Degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen, en die in het kader van de aanvraag of de
uitreiking van een nieuw rijbewijs of een vervangend rijbewijs de beschikking
krijgt over een rijbewijs waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid,
of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge
de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering
is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid,
123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131 tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde
lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, van deze wet een
verplichting tot inlevering bestaat, is bevoegd dat rijbewijs in te nemen en
het door te begeleiden naar het betrokken parket van het openbaar ministerie
dan wel naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
2. Degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen, en die in het kader van de aanvraag of de
uitreiking van een nieuw rijbewijs of een vervangend rijbewijs de beschikking
krijgt over een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren ingevolge artikel
123, eerste lid, aanhef en onderdeel d, of artikel 123b is bevoegd dat
rijbewijs in te nemen en door te geleiden naar degene bij wie de houder dat
rijbewijs had dienen in te leveren.
3. Voor de toepassing
van het eerste en het tweede lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het
tweede lid.
Afdeling 5. Afgifte van rijbewijzen
Artikel 116
1. Een rijbewijs wordt
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels afgegeven
door de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag
als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens of,
in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, door de Dienst
Wegverkeer.
2. De in het eerste lid
bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op de bestelling, het transport
en de beveiliging van rijbewijzen, de met betrekking tot de afgifte van
rijbewijzen te voeren administratie en de in het kader van de afgifteprocedure
te treffen beveiligingsmaatregelen. Bij ministeriële regeling kunnen ter
uitvoering van die regels nadere regels worden vastgesteld.
Artikel 117
De burgemeester van de gemeente waar
de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene was ingeschreven in
de basisadministratie persoonsgegevens, is bevoegd tot het afgeven van internationale
rijbewijzen ten behoeve van het verkeer met motorrijtuigen in het buitenland.
Gelijke bevoegdheid kan door Onze Minister worden verleend aan besturen van
verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van
verkeersbelangen ten doel hebben.
Artikel 118
1. Een rijbewijs wordt
afgegeven voor het besturen van een of meer in dat bewijs aangeduide
categorieën van motorrijtuigen.
2. De categorieën worden
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
3. De uit de categorieën
voortvloeiende bevoegdheden kunnen overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels worden beperkt door het stellen van eisen aan het
motorrijtuig of aan de bestuurder daarvan. Deze eisen kunnen mede omvatten het
opleggen van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. In dat
geval is het gestelde bij of krachtens de artikelen 129a tot en met 129e, 132
en 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.
4. Bij ministeriële
regeling worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop
beperkingen als bedoeld in het derde lid worden aangegeven in het rijbewijs.
Artikel 118a
Als datum van afgifte wordt in het
rijbewijs en in het rijbewijzenregister vermeld de datum waarop het besluit tot
afgifte is genomen.
Artikel 119
1. Degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen geeft overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels een nieuw rijbewijs af:
a. bij vernieuwing van het eerder aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs;
b. bij wijziging van de omvang van de uit het
eerder afgegeven rijbewijs voortvloeiende bevoegdheden, met uitzondering van de
in artikel 131, tweede lid, onderdeel a, bedoelde schorsing van de geldigheid;
c. bij wijziging van de personalia van de
houder;
d. na ongeldigverklaring van het eerder
afgegeven rijbewijs op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel e, of 132b,
tweede lid;
e. in geval het eerder afgegeven rijbewijs
versleten of geheel of ten dele onleesbaar is;
f. in geval het eerder afgegeven rijbewijs
verloren is geraakt of teniet is gegaan.
2. Het nieuwe rijbewijs
wordt niet afgegeven dan nadat het eerder afgegeven rijbewijs waarvoor het
wordt afgegeven, is ingeleverd bij degene die is belast met de afgifte van het
nieuwe rijbewijs.
3. Voor de toepassing van
het eerste en het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan
de houder in Nederland woonachtig is.
4. Indien de houder van
een verloren geraakt rijbewijs waarvoor een nieuw rijbewijs is afgegeven, na de
afgifte van het nieuwe rijbewijs weer in het bezit komt van dat verloren
geraakte rijbewijs, dient hij dat rijbewijs in te leveren bij degene die het
nieuwe rijbewijs heeft afgegeven.
5. Het eerste lid,
aanhef, onderdelen e en f, gelden niet in bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde gevallen.
Artikel 120
1. Degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen geeft overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels een vervangend rijbewijs af voor:
a. versleten of geheel of ten dele onleesbare
rijbewijzen buiten de gevallen waarin daarvoor ingevolge artikel 119 een nieuw
rijbewijs wordt afgegeven;
b. verloren geraakte of tenietgegane rijbewijzen
buiten de gevallen waarin daarvoor ingevolge artikel 119 een nieuw rijbewijs
wordt afgegeven.
2. Het vervangende
rijbewijs treedt in de plaats van het eerder afgegeven rijbewijs en wordt niet
afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden
rijbewijs waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij degene die belast is
met de afgifte van het vervangende rijbewijs.
3. Indien de houder van
een verloren geraakt rijbewijs waarvoor een vervangend rijbewijs is afgegeven,
na de afgifte van het vervangende rijbewijs weer in het bezit komt van dat
verloren geraakte rijbewijs, dient hij dat rijbewijs in te leveren bij degene
die het vervangende rijbewijs heeft afgegeven.
4. Voor de toepassing
van het eerste tot en met het derde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 120a
1. Het nieuwe of
vervangende rijbewijs wordt niet uitgereikt indien zich tussen de aanvraag en
de uitreiking één van de gevallen als bedoeld in artikel 112, eerste lid, heeft
voorgedaan, maar blijft bij degene die is belast met de afgifte van
rijbewijzen.
2. Het wordt niet
uitgereikt indien tussen de aanvraag en de uitreiking omstandigheden bekend
zijn geworden die, indien zij bekend waren geweest bij de aanvraag ertoe hadden
geleid dat geen besluit van afgifte was genomen. Het nieuwe of vervangende
rijbewijs blijft bij degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen.
Artikel 121
1. De gemeenten zijn ter
zake van de afgifte van rijbewijzen door de burgemeester en de afgifte van
rijbewijzen door de Dienst Wegverkeer, waarvoor de aanvraag bij de burgemeester
is ingediend, een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding aan de
Dienst Wegverkeer verschuldigd ter zake van de kosten die verband houden met de
productie en aflevering van rijbewijzen alsmede het attenderen van de houders
van een rijbewijs op het verloop van de geldigheidsduur door de Dienst
Wegverkeer, het beheer en de instandhouding van het rijbewijzenregister, het
verstrekken van gegevens uit dat register aan de in artikel 127, eerste en
tweede lid, bedoelde autoriteiten, het ongeldig verklaren van rijbewijzen door
de Dienst Wegverkeer, de kosten die verband houden met de afgifte van
rijbewijzen door de Dienst Wegverkeer, waarvoor de aanvraag bij de burgemeester
is ingediend alsmede terzake van de kosten die
verband houden met het registreren van getuigschriften als bedoeld in artikel
151c, eerste lid, en met de registratie van certificaten als bedoeld in artikel
151g, vierde lid.
2. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van
afdracht van de vergoeding.
Afdeling 6. Geldigheidsduur
Artikel 122
1. Behoudens artikel 123
of 123b is een rijbewijs, afgegeven aan een aanvrager die de leeftijd van
a. 60 jaren nog niet heeft bereikt, geldig voor
de duur van tien achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs
vermelde datum van afgifte;
b. 60 jaren doch nog niet die van 65 jaren heeft
bereikt, geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag
waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt;
c. 65 jaren heeft bereikt, geldig voor de duur
van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde
datum van afgifte.
2. In afwijking van het
eerste lid is een rijbewijs, afgegeven aan degene die naar verwachting op grond
van zijn lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor een beperkte termijn
geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, geldig vanaf de in het
rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag waarop de termijn waarvoor de
houder naar verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen,
verstrijkt.
Afdeling 7. Verlies van geldigheid
Artikel 123
1. Onverminderd de
artikelen 122 en 131, tweede lid, verliest een rijbewijs zijn geldigheid:
a. door uitreiking van een nieuw of vervangend
rijbewijs;
b. door omwisseling tegen een rijbewijs dat aan
de houder door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland is afgegeven, voor
de categorie of categorieën van motorrijtuigen waarop de omwisseling betrekking
heeft;
c. gedurende de tijd dat aan de houder de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd;
d. door het onbevoegd daarin aanbrengen van
wijzigingen;
e. door het overlijden van de houder;
f. door ongeldigverklaring, voor de categorie of
categorieën waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft dan wel, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel van de geldigheidsduur, voor
dat deel van de geldigheidsduur;
g. door wijziging van de geslachtsnaam, de
voornamen, de plaats of datum van geboorte of het geslacht van de houder of
h. door aangifte van vermissing van het
rijbewijs.
2. Voor de toepassing van
het eerste lid, aanhef, wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan
de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 123a
Een nieuw of vervangend rijbewijs
verliest zijn geldigheid indien het drie maanden na de datum waarop het besluit
tot afgifte is genomen niet is uitgereikt.
Artikel 123b
1. Onverminderd de
artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor
alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de
geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als
bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld wegens overtreding van:
a. artikel 6, voor zover de schuldige verkeerde
in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede, derde of vierde lid, en het alcoholgehalte
van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol
per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed,
dan wel voor zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel,
gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
b. artikel 8, tweede, derde of vierde lid,
indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn
dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het
alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3
milligram alcohol per milliliter bloed;
c. artikel 163, tweede, zesde, achtste of
negende lid,
een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog
geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een
motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van
1. artikel 6, voor zover de schuldige verkeerde
in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede, derde of vierde lid, dan wel voor
zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven
krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
2. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, of
3. artikel 163, tweede, zesde, achtste of
negende lid.
2. Voor de toepassing
van het eerste lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling
gelijkgesteld.
3. Indien een rijbewijs
dat op grond van het eerste lid ongeldig zou zijn, reeds eerder zijn geldigheid
heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of reeds eerder
ongeldig is verklaard en deze ongeldigverklaring onherroepelijk is geworden,
plaatst de officier van justitie een aantekening in het rijbewijzenregister
waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij
beschikt over de rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
die is vereist voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie of
categorieën waarop de door de houder overgelegde aanvraag betrekking heeft.
4. De houder van het
ongeldige rijbewijs dient dat rijbewijs, voor zover inlevering niet reeds heeft
plaatsgevonden op grond van een ander artikel, in te leveren bij de Dienst
Wegverkeer.
5. Voor de toepassing
van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 124
1. Onverminderd de
artikelen 132, tweede lid, 132b, tweede lid, en 134, vierde lid, wordt een
rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels
voor een of meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de
geldigheidsduur ongeldig verklaard indien:
a. het rijbewijs is afgegeven op grond van door
de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de
onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. na afgifte van het rijbewijs blijkt dat het
kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven;
c. de houder een schriftelijke verklaring
overlegt, waarin hij afstand doet van de bevoegdheid tot het besturen van een
of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven;
d. de houder blijkens een op diens verzoek
uitgevoerd onderzoek niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke
geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de
categorie of categorieën waarop het onderzoek betrekking heeft, voor die
categorie of categorieën en, indien bij dat onderzoek blijkt dat hij tevens
niet beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist
voor het besturen van motorrijtuigen van een andere categorie of andere categorieën
dan waarop het onderzoek betrekking heeft, tevens voor die andere categorie of
categorieën;
e. het als gevonden voorwerp is ontvangen en
teruggave aan de houder niet mogelijk is gebleken, mits de houder nog geen
aanvraag voor een vervangend rijbewijs heeft ingediend.
2. De ongeldigverklaring
geschiedt:
a. in de in het eerste lid, onderdelen a en b,
bedoelde gevallen door de Dienst Wegverkeer, indien de ongeldigverklaring
betrekking heeft op een door deze dienst of een door Onze Minister afgegeven
rijbewijs;
b. in de in het eerste lid, onderdelen d en e,
bedoelde gevallen door de Dienst Wegverkeer, indien de ongeldigverklaring
betrekking heeft op een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in
een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen
of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is;
c. in de in het eerste lid, onderdelen a en b,
bedoelde gevallen door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen,
indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is
afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze Minister, dan wel door het
daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de
Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
d. in het in het eerste lid, onderdeel c,
bedoelde geval
I. indien de verklaring wordt overgelegd door
een houder die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, onderdeel c,
bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn
rijvaardigheid of geschiktheid, door het CBR;
II. buiten de gevallen waarin de verklaring wordt
overgelegd door een houder die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid,
onderdeel c, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn
rijvaardigheid of geschiktheid, door degene die is belast met de afgifte van
rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat
niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze Minister dan wel door
de Dienst Wegverkeer, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een door
deze dienst of een door Onze Minister afgegeven rijbewijs;
e. in de in het eerste lid, onderdeel d,
bedoelde gevallen door het CBR;
f. in het in het eerste lid, onderdeel e,
bedoelde geval door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien
de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
3. De ongeldigverklaring
is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot
ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
4. De houder van het
ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs zodra de ongeldigverklaring
van kracht is geworden, in te leveren bij degene die het ongeldig heeft
verklaard.
5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop de
inlevering van ongeldig verklaarde rijbewijzen dient plaats te vinden.
6. Indien het rijbewijs
dat voor ongeldigverklaring op grond van het eerste lid, onderdeel c, in
aanmerking komt, zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, plaatst degene die ingevolge het tweede lid is belast met de
ongeldigverklaring:
a. in het in het tweede lid, onderdeel d, aanhef
en onder I, bedoelde geval een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit
blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang
de aard van het onderzoek waarop het in artikel 131, eerste lid, onderdeel c,
bedoelde besluit betrekking heeft, beschikt over de rijvaardigheid, de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid dan wel de rijvaardigheid en de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop de door de houder
overgelegde verklaring betrekking heeft;
b. in het in het tweede lid, onderdeel d, aanhef
en onder II, bedoelde geval een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit
blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt
over de rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is
vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën
waarop de door de houder overgelegde verklaring betrekking heeft.
7. Indien het rijbewijs
dat voor ongeldigverklaring op grond van het eerste lid, onderdeel d, in aanmerking
komt, zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, plaatst degene die ingevolge het tweede lid is belast met de
ongeldigverklaring, een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt
dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt
over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het
besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop het
onderzoek betrekking heeft.
8. Indien bij het op
grond van het eerste lid, onderdeel d, uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de
resterende geldigheidsduur van het rijbewijs korter is dan de termijn waarvoor
de houder blijkens het onderzoek naar verwachting geschikt zal zijn voor het
besturen van motorrijtuigen, plaatst het CBR een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan
te tonen dat hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die
is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën
waarop het onderzoek betrekking heeft.
9. Voor de toepassing
van het eerste lid, aanhef en onderdelen c, d en e, het derde tot en met het
achtste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 124a
1. Een overeenkomstig
artikel 151g, derde lid, op het rijbewijs vermeld getuigschrift van vakbekwaamheid
of getuigschrift van nascholing en een in artikel 151g, vierde lid, bedoeld
certificaat, kan door de instantie die het getuigschrift onderscheidenlijk het
certificaat heeft afgegeven ongeldig worden verklaard indien na afgifte blijkt
dat:
a. het getuigschrift onderscheidenlijk het
certificaat is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste
gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens
ten tijde van de afgifte bekend zou zijn geweest;
b. het getuigschrift onderscheidenlijk het
certificaat kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.
2. De ongeldigverklaring
van het getuigschrift of certificaat is van kracht met ingang van de zevende
dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het
getuigschrift onderscheidenlijk het certificaat is bekend gemaakt.
3. Zodra de
ongeldigverklaring van een getuigschrift of van een certificaat van kracht is
geworden, levert de houder van een getuigschrift het rijbewijs in bij de
instantie die belast is met de afgifte van rijbewijzen en levert de houder van
een certificaat dat document in bij de instantie die het ongeldig heeft
verklaard.
4. Onverminderd het
eerste lid en artikel 151g, vierde lid, verliest het certificaat zijn
geldigheid:
a. door het onbevoegd daarin aanbrengen van
wijzigingen, of
b. door het overlijden van de houder.
5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
wijze van bekendmaking van de ongeldigverklaring van een getuigschrift of
certificaat, de vernieuwing van rijbewijzen na ongeldigverklaring van het
daarop vermelde getuigschrift en omtrent de wijze van inlevering van een
ongeldig verklaard certificaat.
Artikel 125
1. Indien het rijbewijs
niet voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven, ongeldig is verklaard dan
wel indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel van de
geldigheidsduur, wordt door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen
een nieuw rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorie of categorieën of
voor dat deel van de geldigheidsduur waarop de ongeldigverklaring geen
betrekking heeft.
2. Indien de
ongeldigverklaring verband houdt met de noodzaak de rijbevoegdheid die
voortvloeit uit een of meer categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven, te
beperken door het stellen van eisen aan het motorrijtuig of aan de bestuurder
daarvan, wordt door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen een
nieuw rijbewijs afgegeven waarin de noodzakelijk geachte beperkingen ten aanzien
van de rijbevoegdheid zijn aangeduid met een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
3. Voor de toepassing
van het eerste en het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Afdeling 8. Registratie van gegevens
met betrekking tot rijbewijzen
Artikel 126
1. De Dienst Wegverkeer
houdt een register betreffende de afgifte van rijbewijzen.
2. In het kader van het
register verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens, voor zover deze gegevens
noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wet en voor de handhaving
van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, omtrent:
a. de rijvaardigheid en geschiktheid van de
aanvrager;
b. de aanvraag van rijbewijzen;
c. afgegeven rijbewijzen;
d. de op het rijbewijs te vermelden getuigschriften
van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing;
e. afgegeven certificaten als bedoeld in artikel
151g, vierde lid;
f. rechterlijke uitspraken houdende ontzegging
van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen;
g. een opgelegd alcoholslotprogramma;
h. de gezondheid van de aanvrager.
3. Het verzamelen van
gegevens als bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. voor een goede uitvoering van deze wet en
b. voor de handhaving van de bij of krachtens
deze wet vastgestelde voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer
mag strafrechtelijke gegevens, gegevens ter vaststelling van mogelijk strafbaar
gedrag en gegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een
opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag, verwerken voor zover dit
verband houdt met de in het derde lid genoemde doeleinden.
5. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en
het beheer van het register.
6. Voor de toepassing
van het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan
de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 127
1. Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de
uitvoering van deze wet of die zijn belast met de handhaving van de bij of
krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, worden op de door de Dienst
Wegverkeer te bepalen wijze uit het register desgevraagd de gegevens verstrekt
die zij voor de uitoefening van hun taak behoeven.
2. Aan bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen autoriteiten die betrokken zijn bij de
uitvoering van een andere wet dan deze wet of zijn belast met de handhaving van
de bij of krachtens een andere wet dan deze wet gestelde voorschriften, worden
in de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen op de door de
Dienst Wegverkeer te bepalen wijze desgevraagd de gegevens verstrekt die zij
voor de uitoefening van hun taak behoeven.
3. Aan de met de afgifte
van rijbewijzen belaste autoriteiten buiten Nederland worden in de bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen gevallen op de door de Dienst Wegverkeer te
bepalen wijze en tegen betaling van het door deze dienst vastgestelde tarief,
inlichtingen uit het register verstrekt.
4. De autoriteiten,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn bevoegd tot het invoeren, wijzigen en
verwijderen van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens die
van belang zijn voor het bijhouden van het register.
Artikel 128
1. Aan belanghebbenden
kunnen, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, op
aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze,
van het door deze dienst voor de behandeling van de aanvraag vastgestelde
tarief, uit het register gegevens worden verstrekt.
2. Aan andere
belanghebbenden dan degenen omtrent wie gegevens in het register zijn
opgenomen, worden slechts gegevens verstrekt omtrent de afgifte en de
geldigheid van rijbewijzen.
3. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het verstrekken van gegevens aan
belanghebbenden niet of slechts tot een beperkt aantal of in beperkte vorm of
omvang geschiedt.
Artikel 129
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien
van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 126, tweede lid, een
reglement vast.
Afdeling 8a. Registratie van gegevens
in verband met de oplegging van een alcoholslotprogramma
Artikel 129a
1. De Dienst Wegverkeer
houdt een register betreffende gegevens inzake het alcoholslotprogramma. Onder
gegevens worden mede begrepen persoonsgegevens of bijzondere persoonsgegevens.
2. Het verzamelen van
gegevens als bedoeld in artikel 129 c, eerste lid, geschiedt voor de volgende
doeleinden:
a. een goede en adequate uitvoering van deze
wet, voor zover het gaat om het alcoholslotprogramma;
b. de handhaving van bij of krachtens deze wet
vastgestelde voorschriften, voor zover het gaat om het alcoholslotprogramma.
Artikel 129b
Ten aanzien van de verwerkingen ten
behoeve van het alcoholslotregister is de Dienst Wegverkeer de
verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming
persoonsgegevens.
Artikel 129c
1. In het
alcoholslotregister worden de volgende gegevens verwerkt:
a. gegevens betreffende de oplegging van een
alcoholslotprogramma aan de betrokken rijbewijshouder;
b. gegevens betreffende de erkenninghouder,
bedoeld in artikel 132k, eerste lid, alsmede de persoon door wie de in dat lid
bedoelde werkzaamheden zijn verricht;
c. het kenteken van het motorrijtuig waarin een
alcoholslot is ingebouwd;
d. gegevens betreffende het inbouwen, het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het
verwijderen van het alcoholslot;
e. gegevens betreffende de betaling van de
kosten verbonden aan het alcoholslotprogramma;
f. gegevens voortvloeiende uit de periodieke
uitlezing van het alcoholslot.
2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
inrichting en het beheer van het register.
Artikel 129d
1. Aan autoriteiten die
betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet of zijn belast met de handhaving
van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, voor zover het het alcoholslotprogramma betreft, worden op door de Dienst
Wegverkeer bepaalde wijze de gegevens verstrekt die zij voor de uitvoering van
hun taak behoeven.
2. De autoriteiten,
bedoeld in het eerste lid, zijn op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde
wijze bevoegd tot het invoeren, wijzigen dan wel verwijderen van de bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens die van belang zijn voor het
bijhouden van het register.
Artikel 129e
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien
van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 129c, eerste lid, een
reglement vast.
Afdeling 9. Maatregelen rijvaardigheid
en geschiktheid
§ 1. Algemeen
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder
van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de
lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of
meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen
zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder
vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag
liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen
die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de
uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
2. Op de eerste
vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de
bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld
in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte
van het hem afgegeven rijbewijs.
3. De in het tweede lid
bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op
de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de
bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer
categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het
verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen
waarin daarvan sprake is. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt tevens
gedaan in bij ministeriële regeling aangegeven gevallen van overtreding van de
voorwaarden van deelname aan het alcoholslotprogramma. Het ingevorderde
rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het
eerste lid, aan het CBR toegezonden.
4. In geval van
toepassing van het tweede lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder
beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder
toezicht of, voor zover degene die de vordering heeft gedaan, zulks nodig
oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen
170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173,
eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10,
5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede,
vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats, indien aan de
vordering is voldaan.
5. Voor de toepassing
van het eerste, tweede en derde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan
de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 131
1. Indien een
schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan,
besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen
respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter
bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of
c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of
geschiktheid.
Het
besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na
ontvangst van de mededeling, genomen.
2. Bij het besluit,
bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde
lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer
categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134,
vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;
b. indien de geldigheid van het rijbewijs van
betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet
overeenkomstig artikel 130, derde lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene
zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR;
c. indien de geldigheid van het rijbewijs van
betrokkene niet overeenkomstig onderdeel a, wordt geschorst, doch diens
rijbewijs wel overeenkomstig artikel 130, derde lid, is ingevorderd, bepaald
dat het rijbewijs onverwijld aan betrokkene wordt teruggegeven.
3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.
4. Voor de toepassing
van het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 132
1. Behoudens de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht
zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:
a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering
van de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. krachtens artikel 118, derde lid, of
ingevolge de artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 134, zevende
lid, onderdeel a, dient te onderwerpen aan een alcoholslotprogramma, of
c. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of
geschiktheid.
2. Bij gebreke van de in
het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot
ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op
welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is
afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling
wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking.
Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het
niet voldoen van de kosten verbonden aan het huren of kopen, het inbouwen, het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van
het alcoholslot op de in het huur- dan wel koopcontract van het alcoholslot
aangegeven wijze of binnen de in dat huur- dan wel koopcontract aangegeven
termijn of termijnen, alsmede het niet voldoen van de kosten binnen de termijn
of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting
tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van
de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:
a. de bij ministeriële regeling aangewezen
educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. het alcoholslotprogramma, of
c. het onderzoek naar de rijvaardigheid of
geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor
rekening van betrokkene komen.
3. Het CBR doet van het
besluit mededeling aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen
of instanties.
4. De ongeldigverklaring
is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot
ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
5. De houder van het
ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs, zodra de ongeldigverklaring
van kracht is geworden, in te leveren bij het CBR, ook indien de
ongeldigverklaring niet alle categorieën betreft waarvoor het rijbewijs geldig
was.
6. Indien het rijbewijs
dat voor ongeldigverklaring op grond van het tweede lid in aanmerking komt,
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur,
plaatst het CBR een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat
de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang de
aard van het onderzoek waarop het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit
betrekking heeft, beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen
van de categorie of categorieën waarop dat besluit betrekking heeft.
7. Voor de toepassing
van het tweede, vijfde en zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan
de houder in Nederland woonachtig is.
§ 2. Educatieve maatregelen ter
bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 132a
1. In de in artikel 131,
eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in
dat artikel bedoelde besluit betrokkene overeenkomstig de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een
daarbij vast te stellen termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter
bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.
2. De kosten verbonden
aan het opleggen van een educatieve maatregel ter bevordering van de
rijvaardigheid of geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie
overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan een dergelijke
maatregel is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële
regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze
of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een
dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4. van de
Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel
4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. De kosten verbonden
aan het uitvoeren van de educatieve maatregelen komen ten laste van betrokkene.
De hoogte van deze kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. Het CBR bepaalt de
aard van de educatieve maatregelen en wijst een of meer tot toepassing van die
maatregelen bevoegde deskundigen aan.
5. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en
tweede lid.
6. Voor de toepassing
van het eerste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
§ 3. Alcoholslotprogramma algemeen
Artikel 132b
1. In de in artikel 131,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels bij het
in dat artikellid bedoelde besluit betrokkene de verplichting op deel te nemen
aan een alcoholslotprogramma.
2. Bij het besluit,
bedoeld in het eerste lid, verklaart het CBR het rijbewijs van betrokkene
ongeldig en bepaalt daarbij dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle
categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie
AM. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Het CBR doet
mededeling aan betrokkene dat hij:
a. nadat hij heeft voldaan aan de eisen, bedoeld
in artikel 132c, eerste lid, onderdelen a, b, en c, overeenkomstig de daarvoor
bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels een rijbewijs kan aanvragen
voor de categorie of categorieën waarvoor hij aan die eisen heeft voldaan,
alsmede voor categorie AM, dan wel dat hij
b. indien hij niet heeft voldaan aan de eisen,
bedoeld in artikel 132c, eerste lid, onderdelen a, b en c, overeenkomstig de
daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs
voor de categorie AM kan aanvragen.
4. Indien het rijbewijs
dat voor ongeldigverklaring op grond van het tweede lid in aanmerking komt,
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of
op andere wijze ongeldig is geworden, plaatst het CBR een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs alleen een rijbewijs kan krijgen dat geldig is voor het besturen van
een motorrijtuig waarin bij of krachtens de wet een alcoholslot is ingebouwd,
en de categorie AM.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede
lid.
6. Voor de toepassing
van het tweede en vierde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder
in Nederland woonachtig is.
Artikel 132c
1. Degene aan wie
deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd dient:
a. overeenkomstig de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen een alcoholslot te doen inbouwen in
ten minste één motorrijtuig dat voldoet aan de bij algemene maatregel van
bestuur gestelde eisen;
b. de aangegeven kosten op de aangegeven wijze
te hebben betaald aan het CBR;
c. het bij het besluit, bedoeld in artikel 132b,
eerste lid, meegezonden, door het CBR vastgestelde, aanmeldformulier te hebben
teruggezonden aan het CBR, en
d. overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde wijze de feitelijke beschikking te hebben gekregen over
een nieuw rijbewijs, waarop voor de toepasselijke rijbewijscategorie, met
uitzondering van de categorie AM, de bij ministeriële regeling vastgestelde
codering voor het rijden met een alcoholslot is vermeld.
2. Per motorrijtuig kan
slechts één alcoholslot tegelijk zijn ingebouwd.
3. Een ingebouwd
alcoholslot kan slechts door één bestuurder worden gebruikt aan wie het CBR
overeenkomstig de artikelen 131, eerste lid, onderdeel b, en 132b, eerste lid,
de verplichting heeft opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma.
4. Onverminderd artikel
132d, tweede of vierde lid, is de duur van het alcoholslotprogramma twee jaar.
Deze termijn neemt een aanvang op de dag waarop degene aan wie de verplichting
tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd heeft voldaan aan het
eerste lid, onderdeel d.
5. Degene aan wie
deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, is verplicht het door het
CBR bepaalde begeleidingsprogramma te volgen en daartoe het alcoholslot
periodiek te laten uitlezen bij een erkenninghouder
als bedoeld in artikel 132k, eerste lid. Bij ministeriële regeling wordt de
termijn vastgelegd waarbinnen de uitlezing uiterlijk dient plaats te vinden. In
bij ministeriële regeling aangegeven gevallen kan het CBR in het kader van het
begeleidingsprogramma een kortere termijn vaststellen.
6. De kosten verbonden
aan het opleggen van het alcoholslotprogramma komen ten laste van iedereen aan
wie overeenkomstig artikel 132b, eerste lid, de verplichting tot deelname aan
het alcoholslotprogramma is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij
ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op
aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten
vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van
titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in
artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als beschikking als
bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.
7. De kosten van
verbonden aan:
a. het uitvoeren van het alcoholslotprogramma,
alsmede de kosten verbonden aan het beheer en het in stand houden van het
alcoholslotregister en het verstrekken van gegevens uit dat register
overeenkomstig artikel 129d, eerste lid, en aan
b. het huren dan wel kopen, het inbouwen, het
uitlezen, het testen, het kalibreren het onderhouden en het verwijderen van het
alcoholslot, komen ten laste van betrokkene. De hoogte van de in onderdeel a
genoemde kosten die door het CBR worden geïnd, worden bij ministeriële regeling
vastgesteld.
8. De gegevens die
periodiek worden uitgelezen uit het alcoholslot worden toegerekend aan degene
aan wie deelname aan een alcoholslotprogramma is opgelegd.
9. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste,
vijfde en zesde lid.
Artikel 132d
1. Uiterlijk vier weken
voor de afloop van het alcoholslotprogramma vindt op door het CBR bepaalde
wijze een evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft deelgenomen aan
het alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie blijkt dat betrokkene heeft
voldaan aan de bij ministeriële regeling aangegeven voorwaarden, registreert
het CBR onverwijld in het rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de
hem opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de bij
ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot
kan aanvragen. Het CBR doet hiervan mededeling aan betrokkene.
2. In de bij
ministeriële regeling aangegeven gevallen besluit het CBR tot verlenging van
het alcoholslotprogramma met zes maanden.
3. Uiterlijk vier weken
voor de afloop van de verlenging vindt op door het CBR bepaalde wijze een
evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft deelgenomen aan het
alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie blijkt dat betrokkene heeft
voldaan aan de bij ministeriële regeling aangegeven voorwaarden, registreert
het CBR onverwijld in het rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de
hem opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de bij
ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot
kan aanvragen. Het CBR doet hiervan mededeling aan betrokkene.
4. In andere dan de in
het derde lid bedoelde gevallen besluit het CBR tot verlenging van het
alcoholslotprogramma met zes maanden. Het derde lid is vervolgens van
overeenkomstige toepassing.
5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
§ 4. Goedkeuring van het alcoholslot
Artikel 132e
1. In het kader van het
alcoholslotprogramma wordt uitsluitend gebruik gemaakt van een alcoholslot dat
is voorzien van een typegoedkeuring, verleend door de Dienst Wegverkeer, of een
daaraan bij ministeriële regeling gelijkgesteld alcoholslot. De typegoedkeuring
van het alcoholslot en de daarbij behorende uitleesapplicatie wordt op aanvraag
en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend, indien
door de dienst is vastgesteld dat het alcoholslot aan de bij ministeriële
regeling gestelde eisen voldoet en indien het productieproces van de
alcoholsloten van het desbetreffende type is goedgekeurd. De artikelen 22,
derde en vierde lid, 22b, 23, 23a en 25a tot en met 25e zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Na verwijdering van
het alcoholslot vindt controle van het uitgebouwde alcoholslot plaats door
degene die overeenkomstig het goedgekeurde productieproces als bedoeld in het
eerste lid produceert.
3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld betreffende de aanvraag tot goedkeuring van een
type alcoholslot, de eisen waaraan de alcoholsloten dienen te voldoen, de
onderzoeken waaraan zij dienen te zijn onderworpen, het door de aanvrager ter
beschikking stellen van alcoholsloten, de wijze waarop de overdracht van de
gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister plaatsvindt, het door
de aanvrager overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen ter
zake van de keuring, het testrapport, de intrekking van een dergelijke
goedkeuring, de controle van een alcoholslot als bedoeld in het tweede lid, en
de onderzoeken waaraan het alcoholslot in dat kader wordt onderworpen.
4. De Dienst Wegverkeer,
dan wel de door hem aangewezen technische dienst als bedoeld in het eerste lid,
onderwerpt voorafgaand aan een eerste inbouw een bij ministeriële regeling
vastgesteld aantal typegoedgekeurde alcoholsloten aan
een steekproefsgewijze keuring. Hetzelfde geldt voor typegoedgekeurde
alcoholsloten, ten aanzien waarvan een controle heeft plaatsgevonden als
bedoeld in het tweede lid. Degene die overeenkomstig het goedgekeurde
productieproces, bedoeld in het eerste lid, produceert, is verplicht zijn
medewerking te verlenen aan deze steekproefsgewijze keuringen. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de in dit lid
bedoelde keuringen worden uitgevoerd, het door de aanvrager ter beschikking
stellen van alcoholsloten, het door de aanvrager overleggen van bescheiden en
het verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring en de maatregelen die
de Dienst Wegverkeer kan treffen. Intensivering van de steekproefsgewijze
controle of het stellen van een termijn om de gebreken te herstellen, kunnen
daarvan deel uitmaken.
5. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat:
a. het voldoen aan de in het eerste lid gestelde
eisen wordt aangetoond door middel van in die regels voorgeschreven apparatuur;
b. die apparatuur is goedgekeurd door een door
Onze Minister aangewezen keuringsinstelling;
c. die apparatuur alleen kan worden goedgekeurd
indien de in die regels genoemde technische specificaties van die apparatuur
die noodzakelijk zijn om het periodieke onderzoek, bedoeld in onderdeel d, uit
te kunnen voeren, op de in die regels aangegeven wijze bekend worden gemaakt;
d. die apparatuur met een in die regels vast te
stellen periodiciteit is onderzocht door de in het eerste lid bedoelde
keuringsinstelling, dan wel door een door Onze Minister of door deze
keuringsinstelling aangewezen onderzoeksgerechtigde
en dat de middelen die worden gebruikt om die apparatuur voor gebruik geschikt
te maken, zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende
instelling, en
e. bij de erkenning van een onderzoeksgerechtigde
of instelling als bedoeld in onderdeel d, wordt voldaan aan de in die regels
opgenomen voorschriften.
6. Een type alcoholslot
kan voor een typegoedkeuring worden aangeboden indien de aanvrager heeft
aangetoond dat het alcoholslot een beschermingsniveau biedt dat naar het
oordeel van de Dienst Wegverkeer, dan wel de door hem aangewezen technische
dienst als bedoeld in het eerste lid, ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de in het derde lid bedoelde eisen wordt nagestreefd.
7. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 132e1
1. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald wanneer een typegoedkeuring vervalt.
2. Intrekking van de
typegoedkeuring vindt plaats indien:
a. de producent van het desbetreffende type
alcoholslot daarom verzoekt, of
b. de erkenning als bedoeld in artikel 132f,
eerste lid, door de Dienst Wegverkeer wordt ingetrokken.
3. Indien de steekproefsgewijze
keuring als bedoeld in artikel 132e, eerste of vierde lid, daartoe aanleiding
geeft, dan wel indien een typegoedkeuring wordt ingetrokken, bepaalt de Dienst
Wegverkeer de gevolgen voor reeds ingebouwde alcoholsloten van dat type. Indien
wordt besloten dat reeds ingebouwde alcoholsloten moeten worden vervangen, dan
bepaalt de Dienst Wegverkeer tevens de termijn waarbinnen die vervanging moet
zijn gerealiseerd.
4. Vanaf de datum waarop
de eisen waaraan alcoholsloten moeten voldoen, zijn aangepast, mogen
alcoholsloten van een overeenkomstig de oude eisen goedgekeurd type in het
kader van het alcoholslotprogramma nog worden ingebouwd gedurende een bij
ministeriële regeling vastgestelde periode.
5. Bij ministeriële
regeling wordt vastgelegd met ingang van welk tijdstip na de aanpassing van de
in het vierde lid bedoelde eisen alle alcoholsloten moeten voldoen aan de
aangepaste eisen.
§ 5. Erkenningsregelingen
alcoholsloten
Artikel 132f
1. De Dienst Wegverkeer
kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is tot het in stand houden van een netwerk van
werkplaatsen voor het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
vervangen en het verwijderen van het door hem gevoerde alcoholslot, alsmede het
verrichten van de daarmee samenhangende werkzaamheden. Bij de aanvraag van de
in dit lid bedoelde erkenning kan in afwijking van de eisen gesteld in artikel
132g, tweede lid, onderdelen b en d, worden volstaan met:
a. een alcoholslot dat overeenkomstig artikel
132e is goedgekeurd door de aangewezen keuringsinstelling en waarvoor de
typegoedkeuring is aangevraagd of tegelijk met de aanvraag voor een erkenning
als bedoeld in dit lid wordt aangevraagd, en
b. een netwerk waarvan de vereiste landelijke
dekking blijkt uit contracten afgesloten met natuurlijke personen of
rechtspersonen die al een aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel
132k, eerste lid, hebben ingediend, dan wel tegelijk met de aanvraag voor een
erkenning als bedoeld in dit lid indienen.
2. De erkenning kan
worden verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.
3. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
Artikel 132g
1. De erkenning wordt
door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de dienst
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief
verleend indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen.
2. De in het eerste lid
bedoelde eisen betreffen onder meer:
a. de aanwezigheid van een mandaat namens de
producent te mogen optreden;
b. de aanwezigheid van een typegoedkeuring of
een afschrift daarvan, afgegeven door de Dienst Wegverkeer van het door of
namens de aanvrager geproduceerd alcoholslot;
c. de aanwezigheid van een productieproces dat
op basis van artikel 132e, eerste of vijfde lid, door de Dienst Wegverkeer is
goedgekeurd;
d. het beschikken over een netwerk van
werkplaatsen met een erkenning als bedoeld in artikel 132k, waar het inbouwen,
het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het
verwijderen van alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden
kunnen plaatsvinden. Dit netwerk dient een landelijke spreiding te hebben;
e. de administratieve organisatie van de
aanvrager;
f. de wijze waarop de aanvrager ervoor zorg
draagt dat de personen die de in artikel 132k, eerste lid, bedoelde werkzaamheden
verrichten of gaan verrichten, adequaat zijn opgeleid en periodiek worden
bijgeschoold over de laatste ontwikkelingen, en dat ten bewijze hiervan een
bewijs wordt afgegeven;
g. andere instrumenten en hulpmiddelen die nodig
zijn voor of gebruikt worden bij de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld
in artikel 132k, eerste lid.
h. de maatregelen die zullen worden getroffen
voor het geval de erkenning geheel wordt ingetrokken op het terrein van de
beschikbaarstelling van gegevens betreffende het alcoholslot vereist voor het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden of het verwijderen van
alcoholsloten, alsmede voor de daarmee samenhangende werkzaamheden.
3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van de
erkenning.
4. De erkenning wordt
geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken
op grond van artikel 132i, tweede lid, binnen een direct aan de datum van
indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel zes
maanden ingeval reeds twee of meermalen een dergelijke aan de aanvrager
verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 132h
1. Met het toezicht op
de naleving van de uit de erkenning, bedoeld in artikel 132f, voortvloeiende
verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen
ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in
de Staatscourant.
2. Tot het in het eerste
lid bedoelde toezicht kan behoren het periodiek controleren van de organisatie
van de erkenninghouder, alsmede het uitvoeren van
steekproeven op de wijze waarop de erkenninghouder de
in artikel 132f, eerste lid, bedoelde taken uitvoert.
3. De erkenninghouder is gehouden tot betaling, op door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten
van het toezicht vastgestelde tarief.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop
het toezicht wordt gehouden en de wijze waarop de steekproef wordt
georganiseerd. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt
gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de
erkenning voortvloeiende de verplichtingen en op welke wijze dat verscherpte
toezicht dan plaatsvindt.
5. De kennisgeving van
het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend
verzoek van de belanghebbende in een beschikking vastgelegd.
Artikel 132i
1. De Dienst Wegverkeer
trekt de erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, in indien degene aan
wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is
verleend niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde eisen of
voorwaarden.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in een geval als bedoeld in het tweede lid een erkenning schorsen voor een
door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. In geval van
schorsing van de erkenning stelt degene van wie de erkenning wordt geschorst in
de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen onverwijld de vereiste
informatie en instrumenten benodigd voor het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van de in artikel 132f, eerste
lid, bedoelde alcoholsloten ter beschikking van de Dienst Wegverkeer, alsmede
de daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of instanties.
5. Degene van wie de
erkenning wordt ingetrokken stelt onverwijld de vereiste informatie en
instrumenten benodigd voor het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
onderhouden en het verwijderen van de in artikel 132f, eerste lid, bedoelde
alcoholsloten ter beschikking van de Dienst Wegverkeer, alsmede de daartoe door
de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of instanties.
6. De Dienst Wegverkeer
stelt onverwijld het CBR in kennis van een opgelegde schorsing of een
ingetrokken erkenning.
7. De Dienst Wegverkeer kan
in de door de dienst vastgestelde gevallen de keuringsinstelling, bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, in kennis stellen van een opgelegde schorsing of een
ingetrokken erkenning.
8. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt
voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.
9. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 132j
Het is eenieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 132f is verleend, verboden zich op zodanige
wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Artikel 132k
1. De Dienst Wegverkeer
kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is tot het inbouwen, het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het verwijderen van in artikel
132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende
werkzaamheden. Bij de aanvraag van de in dit lid bedoelde erkenning kan in
afwijking van artikel 132l, tweede lid, onderdeel a, worden volstaan met een
contract, dat is afgesloten met een natuurlijke persoon of rechtspersoon die
een aanvraag als bedoeld in artikel 132g, eerste lid, heeft ingediend.
2. Aan de erkenning
kunnen bij ministeriële regeling aangewezen bevoegdheden worden verbonden. Een
zodanige bevoegdheid maakt deel uit van de erkenning. Het in de artikelen 132l
tot en met 132o ten aanzien van erkenningen bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op bedoelde bevoegdheden.
3. De erkenning kan
worden verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
Artikel 132l
1. De erkenning wordt
door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de dienst
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief
verleend indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen.
2. De in het eerste lid
bedoelde eisen betreffen onder meer:
a. het contract dat is afgesloten met de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132f, tweede lid;
b. de administratieve organisatie van de
aanvrager;
c. het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn
werkzaamheden verricht;
d. de eisen waaraan de werkplaats of
werkplaatsen van de aanvrager dient of dienen te voldoen, eisen ten aanzien van
datacommunicatie hieronder begrepen;
e. de wijze waarop de aanvrager er voor zorg
draagt dat de personen die door hem belast zijn met het inbouwen, het uitlezen,
het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen
van alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden, adequaat
zijn opgeleid en worden geïnformeerd over de laatste ontwikkelingen;
f. de beschikbaarheid van een persoon of
personen, die in het bezit is of zijn van een tegen betaling van een door de
Dienst Wegverkeer vastgesteld tarief door die dienst afgegeven bewijs dat zij
de in artikel 132k, eerste lid, bedoelde werkzaamheden mogen verrichten;
g. de aan- en afmelding bij de Dienst Wegverkeer
van de personen die bevoegd zijn tot het inbouwen, het uitlezen, het testen,
het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van
alcoholsloten, en de daarmee samenhangende werkzaamheden.
3. De bij ministeriële
regeling gestelde eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op
de op de voor de werkzaamheden benodigde apparatuur.
4. Bij het inbouwen, het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het
verwijderen van het alcoholslot worden de bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur aangegeven gegevens vastgelegd in het in artikel 129a bedoelde
register.
5. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van een
erkenning.
6. De erkenning wordt
geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken
op grond van artikel 132n, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de
datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan
wel zes maanden ingeval reeds twee of meermalen een dergelijke aan de aanvrager
verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 132m
1. Met het toezicht op
de naleving van de uit de erkenning, bedoeld in artikel 132k, eerste lid,
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst
Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Tot het in het eerste
lid bedoelde toezicht kan behoren het periodiek controleren van de organisatie
van de erkenninghouder, alsmede het uitvoeren van
steekproeven op de wijze waarop de erkenninghouder,
alsmede de bij hem in dienst zijnde personen die overeenkomstig artikel 132l
zijn belast met de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 132k,
eerste lid, die taken uitvoeren.
3. De eigenaar of houder
van een motorrijtuig dat voorwerp is van het in het tweede lid bedoelde
toezicht is verplicht het motorrijtuig beschikbaar te houden op de plaats waar
de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze
verplichting geldt tot ten hoogste 90 minuten nadat de erkenninghouder
de daarvoor in aanmerking komende gegevens heeft geregistreerd in het in
artikel 129a bedoelde register.
4. Het derde lid en het
zesde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing in geval het
toezicht door de Dienst Wegverkeer plaatsvindt op grond van artikel 158.
5. De erkenninghouder is gehouden tot betaling, op door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten
van het toezicht vastgestelde tarief.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop het
toezicht wordt gehouden en de wijze waarop de steekproef wordt georganiseerd.
Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien
blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende de verplichtingen en op welke wijze dat verscherpte toezicht dan
plaatsvindt.
7. De kennisgeving van
het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend
verzoek van de belanghebbende in een beschikking vastgelegd.
Artikel 132n
1. De Dienst Wegverkeer
trekt een erkenning als bedoeld in artikel 132k, eerste lid in:
a. indien degene aan wie de erkenning is verleend,
daarom verzoekt;
b. indien de erkenning, bedoeld in artikel 132f,
eerste lid, wordt ingetrokken.
2. De Dienst Wegverkeer
kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is
verleend niet meer voldoet aan de aan de erkenning gestelde eisen of
voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer
kan in een geval als bedoeld in het tweede lid een erkenning schorsen voor een
door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. Bij de schorsing of
de intrekking van de erkenning in de gevallen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, en het tweede lid, worden de lopende verplichtingen van de erkenninghouder betreffende het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot, alsmede de
daarmee samenhangende informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of
krachtens deze wet bepaalde, verricht door een door erkenninghouder
als bedoeld in artikel 132f, eerste lid, te bepalen natuurlijke persoon of
rechtspersoon of instantie die beschikt over de in artikel 132k, eerste lid,
bedoelde erkenning.
5. Bij intrekking van de
erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, worden de lopende
verplichtingen van de erkenninghouder betreffende het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het
verwijderen van het alcoholslot, alsmede de daarmee samenhangende
informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of krachtens deze wet
bepaalde verricht door een daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie
of instanties. Artikel 132i, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. De Dienst Wegverkeer
kan in de door de dienst vastgestelde gevallen de in artikel 132e bedoelde
keuringsinstelling in kennis stellen van een opgelegde schorsing of een ingetrokken
erkenning.
7. De Dienst Wegverkeer
kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt
voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.
8. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 132o
Het is eenieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 132k is verleend, verboden zich op zodanige
wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Onderzoeken naar de
rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 133
1. In de in artikel 131,
eerste lid, aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in
dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen
aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.
2. Het CBR bepaalt de
aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het
onderzoek zal worden verricht.
3. Het onderzoek kan in
gedeelten plaatsvinden. Tijd en plaats van het onderzoek dan wel de delen
daarvan worden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels door het CBR vastgesteld.
4. De kosten verbonden
aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen
ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting
tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt
bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op
aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten
vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van
titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in
artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als beschikking als
bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De kosten verbonden
aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte bij ministeriële
regeling wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde
gevallen ten laste van betrokkene.
6. Het onderzoek vangt
zo spoedig mogelijk aan.
7. De bevindingen van
het onderzoek worden door de deskundige of de deskundigen zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk acht weken na aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste
gedeelte daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het CBR.
8. Het CBR kan in
bijzondere gevallen toestaan dat door de deskundige of de deskundigen van de in
het zesde lid bedoelde termijn wordt afgeweken.
Artikel 134
1. Het CBR stelt zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de
bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek
vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of
meer deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage daarvan naar
hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het
CBR de bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen
vertrouwensarts.
2. Het CBR besluit tot
ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek
daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen
aangewezen waarin daarvan sprake is.
3. Indien het CBR
voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de
houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen
twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek
verbonden kosten, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede
het eerste en het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige
toepassing. De in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan,
indien het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig
is geworden.
4. Indien het CBR
besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij
bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of
categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring
betrekking heeft. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien de uitslag van
het onderzoek aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van
betrokkene, plaatst het CBR, indien dat rijbewijs zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan
te tonen dat hij, al naar gelang de aard van het onderzoek, beschikt over de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid dan wel de rijvaardigheid die is
vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën
waarop het onderzoek betrekking had.
6. Indien bij een op
grond van het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit gevorderd onderzoek
naar de geschiktheid is gebleken dat de resterende geldigheidsduur van het
rijbewijs korter is dan de termijn waarvoor de houder blijkens de uitslag van
het onderzoek naar verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van
motorrijtuigen, plaatst het CBR een aantekening in het rijbewijzenregister
waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij
beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor
het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop het
onderzoek betrekking heeft.
7. Indien het CBR van
oordeel is dat op grond van de uitslag van het onderzoek betrokkene niet als
niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan betrokkene
in bij ministeriële regeling vastgestelde gevallen overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op deel te nemen aan
een educatieve maatregel gedrag en verkeer dan wel aan het
alcoholslotprogramma. Indien het CBR besluit tot oplegging van de educatieve
maatregel gedrag en verkeer zijn de artikelen 132 en 132a van overeenkomstige
toepassing. In het geval van oplegging van de verplichting tot deelname aan het
alcoholslotprogramma zijn de artikelen 132b tot en met 132o van overeenkomstige
toepassing.
8. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde, het
vierde en het zevende lid.
9. Voor de toepassing
van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 134a
Voor zover dit noodzakelijk is voor de
toepassing van deze paragraaf verwerkt het CBR persoonsgegevens betreffende
iemands rijvaardigheid en gezondheid.
Afdeling 10. Bromfietscertificaat
Artikel 135 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 136 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 137 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 138 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 139 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 140 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 141 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 142
1. De Dienst Wegverkeer
houdt een register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten.
2. In het kader van het
register verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent afgegeven
bromfietscertificaten.
3. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent de inrichting en het
beheer van het register.
Artikel 143
1. Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de
uitvoering van deze wet of die zijn belast met de handhaving van de bij of
krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, worden op de door de Dienst
Wegverkeer te bepalen wijze uit het register desgevraagd de gegevens verstrekt
die zij voor de uitoefening van hun taak behoeven.
2. De autoriteiten, bedoeld in het eerste lid,
zijn gehouden om in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen aan
de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze mededeling te doen
van feiten die van belang zijn voor het bijhouden van het register.
Artikel 144
1. Aan belanghebbenden
kunnen, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels,
op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het door deze dienst voor de behandeling van de aanvraag
vastgestelde tarief, uit het register gegevens worden verstrekt.
2. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het verstrekken van gegevens aan
belanghebbenden niet of slechts tot een beperkt aantal of in beperkte vorm of
omvang geschiedt.
Artikel 145
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien
van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 142, tweede lid, een
reglement vast.
Hoofdstuk VIA. Interoperabiliteit van
elektronische heffingssystemen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 145a
1. In dit hoofdstuk wordt
verstaan onder de richtlijn: de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn.
2. Een wijziging van de
richtlijn, bedoeld in het eerste lid, gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
§ 2. Technologische eisen
Artikel 145b
1. Een elektronisch
heffingssysteem als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn, dat na
31 december 2006 in gebruik wordt genomen, is gebaseerd op één of meer van de
technologieën, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn.
2. Het eerste lid geldt
niet voor een heffingssysteem als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de
richtlijn.
§ 3. Europese elektronische
tolheffingsdienst
Artikel 145c
1. Op een weg waar tarieven
voor het gebruik van de weg elektronisch worden geïnd, wordt een Europese
elektronische tolheffingsdienst aangeboden, die voldoet aan de artikelen 1,
derde lid, 3, eerste lid en 4, eerste, derde en achtste lid, van de richtlijn.
2. Een Europese elektronische
tolheffingssdienst wordt aangeboden uiterlijk met
ingang van een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip, dat voor
verschillende categorieën voertuigen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 145d
Een exploitant stelt vanaf het in
artikel 145c, tweede lid, vastgestelde tijdstip aan gebruikers apparatuur ter
beschikking die in het voertuig kan worden ingebouwd en voldoet aan de eisen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de richtlijn.
§ 4. Nadere regelgeving
Artikel 145e
Bij ministeriële regeling kunnen ter
uitvoering van de richtlijn aanvullende regels worden gesteld met betrekking
tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VII. Vrijstelling en
ontheffing
Artikel 146
Onze Minister kan, met inachtneming van
verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of
meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, van bepalingen
van deze wet vrijstelling verlenen voor het gebruik van de weg ten behoeve van
openbare diensten.
Artikel 147
1. Onze Minister kan,
met inachtneming van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet
gezamenlijk, van het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling verlenen voor het
gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door Onze Minister daarmee
gelijk te stellen diensten.
2. Onze Minister kan van
het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling verlenen voor het gebruik van de
weg ten behoeve van particuliere geld- en waardetransportbedrijven
waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c,
van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Artikel 148
1. Van het in artikel
10, eerste lid, vervatte verbod kan overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels ontheffing worden verleend:
a. voor wegen onder beheer van het Rijk door
Onze Minister;
b. voor andere wegen door gedeputeerde staten. In
afwijking hiervan wordt, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd,
alle zijn gelegen binnen één gemeente, de ontheffing verleend door burgemeester
en wethouders.
2. De in het eerste lid
bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat
maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd
zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade waartoe het
gebruik van motorrijtuigen tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven, is gedekt
door een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen. De verzekering dient mede te dekken de aansprakelijkheid van
degenen die de wedstrijd organiseren. Deze voorwaarde geldt niet ten aanzien
van degene wiens aansprakelijkheid ten laste van de Staat komt.
Artikel 149
1. Van het bepaalde
krachtens deze wet kan in de krachtens deze wet aangewezen gevallen
overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels ontheffing worden
verleend:
a. voor wegen onder beheer van het Rijk door
Onze Minister;
b. voor wegen onder beheer van een provincie
door gedeputeerde staten;
c. voor wegen onder beheer van een waterschap
door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door
het dagelijks bestuur;
d. voor andere wegen door burgemeester en
wethouders of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde
bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente.
2. In afwijking van het
eerste lid kan door Onze Minister ontheffing worden verleend van het gebruik
van autogordels en kinderbeveiligingsmiddelen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels
worden vastgesteld.
Artikel 149a
1. In dit artikel,
artikel 149b en de op deze artikelen berustende bepalingen wordt verstaan onder
wegbeheerder: het ingevolge artikel 149, eerste lid, tot het verlenen van een
ontheffing bevoegde gezag.
2. In afwijking van
artikel 149, eerste lid, kan uitsluitend door de Dienst Wegverkeer ontheffing
worden verleend of geweigerd van het bepaalde krachtens artikel 13 en artikel
71, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen overeenkomstig
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.
3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de partijen
waarmee en de wijze waarop de Dienst Wegverkeer periodiek overleg voert met
betrekking tot de uitvoering van dit artikel en artikel 149b.
4. De kosten die
samenhangen met de behandeling van de aanvraag en de verlening van de ontheffing,
alsmede de kosten die samenhangen met het verrichten van onderzoeken en met
daarbij behorende afgifte van documenten ten behoeve van de ontheffingverlening
worden ten laste gebracht van de aanvrager. Bij de toepassing van artikel 4b,
eerste lid, onderdeel n, met betrekking tot deze kosten kan worden bepaald dat
de vergoeding van de kosten voorafgaand aan de behandeling van de aanvraag
wordt betaald.
5. Ten behoeve van de ontheffingverlening, bedoeld in het tweede lid, verwerkt de
Dienst Wegverkeer gegevens met betrekking tot aanvrager, voertuig en kenteken
die zijn opgenomen in de aanvragen voor ontheffingen en in afgegeven
ontheffingen.
6. Aan de
toezichthouders bedoeld in artikel 158 en aan de wegbeheerders worden op de
door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze desgevraagd de gegevens met
betrekking tot de inhoud van de afgegeven en geweigerde ontheffingen en de
gegevens met betrekking tot het aantal en de aard van de ontheffingen
verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak behoeven.
Artikel 149b
1. De wegbeheerder
verstrekt aan de Dienst Wegverkeer ten behoeve van de ontheffingverlening,
bedoeld in artikel 149a, tweede lid, de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vastgestelde gegevens betreffende de infrastructuur en overige informatie
op de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze.
2. In de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen behoeft de Dienst
Wegverkeer voor de in artikel 149a, tweede lid, bedoelde ontheffing de toestemming
van de wegbeheerder. In deze gevallen wordt de toestemming verleend op basis
van een door de Dienst Wegverkeer in overleg met de betrokken wegbeheerder
opgestelde ontwerp-ontheffing.
3. De wegbeheerder kan uitsluitend
de toestemming weigeren, indien dat gerechtvaardigd is met het oog op de in
artikel 2, eerste en tweede lid, omschreven belangen.
4. Bij het verstrekken
van gegevens en informatie, bedoeld in het eerste lid, kan de wegbeheerder
aangeven dat aan de door de Dienst Wegverkeer te verlenen ontheffing
beperkingen of voorschriften worden verbonden, indien dat gerechtvaardigd is
met het oog op de bescherming van de in artikel 2, eerste en tweede lid,
omschreven belangen.
5. De Dienst Wegverkeer
trekt verleende ontheffingen in of wijzigt deze voorzover
de door de wegbeheerder ingevolge het eerste lid verstrekte gegevens of andere
door hem aan de Dienst Wegverkeer verstrekte informatie daartoe aanleiding
geeft.
6. Voor de mogelijkheid
van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden als
één besluit aangemerkt de ontheffing of de weigering daarvan door de Dienst
Wegverkeer en de toestemming onderscheidenlijk de weigering daarvan door de
wegbeheerder.
7. De wegbeheerder
ontvangt voor het verstrekken van gegevens en informatie, bedoeld in het eerste
lid, en voor het verlenen van toestemming, bedoeld in het tweede lid, van de
Dienst Wegverkeer een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding, die is
gebaseerd op het aantal en de aard van de verleende ontheffingen voor wegen die
onder zijn beheer staan.
Artikel 150
1. Een vrijstelling of
ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vrijstelling of
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Het is verboden te handelen
in strijd met de aan een vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften.
Artikel 151
Onverminderd artikel 149a kunnen bij
algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld omtrent het ten laste
van de aanvrager van een ontheffing brengen van de aan de behandeling van de
aanvraag verbonden kosten.
Artikel 151a
Voor zover dit noodzakelijk is voor
het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 149, tweede lid, aanhef en
onder a, verwerkt Onze Minister persoonsgegevens betreffende iemands
gezondheid.
Hoofdstuk VIIA. Vakbekwaamheid
bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 151b
Voor de toepassing van dit hoofdstuk
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. richtlijn vakbekwaamheid bestuurders: de bij
ministeriële regeling aangewezen richtlijn;
b. bestuurder: degene die vervoer over de weg
verricht met een voertuig dat behoort tot een categorie waarop de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders van toepassing is en die:
1°. ingezetene is van een lidstaat van de Europese
Unie, dan wel
2°. ingezetene is van een land buiten de Europese
Unie en werkzaam is voor een binnen de Europese Unie gevestigde onderneming;
c. basiskwalificatie: het opleidings- en kennisniveau
dat de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en
praktische vaardigheden omvat;
d. getuigschrift van vakbekwaamheid: document
dat dient als bewijs dat de houder de basiskwalificatie heeft behaald;
e. nascholing: periodiek opleidingstraject dat
in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en praktische
vaardigheden omvat;
f. getuigschrift van nascholing: document dat
dient als bewijs dat de houder de nascholing met goed gevolg heeft voltooid;
g. aangewezen exameninstantie: persoon of
instelling als bedoeld in artikel 151f, eerste lid;
h. erkend opleidingscentrum: opleidingscentrum
als bedoeld in artikel 151f, tweede lid;
i. gewone verblijfplaats: de verblijfplaats
zoals omschreven in artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het
controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
§ 2. Getuigschrift van vakbekwaamheid
en getuigschrift van nascholing
Artikel 151c
1. Het is verboden als
bestuurder op te treden zonder te beschikken over een ingevolge de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders vereist geldig getuigschrift.
2. Het verbod in het
eerste lid geldt niet voor bestuurders die in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
zijn vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie.
3. Een door de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders aan een bestuurder afgegeven rijbewijs of kwalificatiekaart
bestuurder, voorzien van de in die richtlijn bedoelde communautaire code, geldt
als een ingevolge die richtlijn vereist getuigschrift indien de code zijn
geldigheid nog niet heeft verloren.
4. Een in artikel 151b,
onderdeel b, onder 2°, bedoelde bestuurder die beschikt over de volgende
documenten, voldoet aan de ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
gestelde vereisten:
a. indien hij goederenvervoer over de weg
verricht: een bestuurdersattest als bedoeld in verordening (EEG) nr. 881/92 van
de Raad van Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang
tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar
het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van meer lidstaten (PbEG L 95);
b. indien hij personenvervoer over de weg
verricht: een nationaal certificaat waarvan de lidstaten van de Europese Unie
de geldigheid op hun grondgebied onderling erkennen.
Artikel 151d
1. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders regels worden gesteld omtrent:
a. een stelsel van basiskwalificatie;
b. een stelsel van nascholing.
2. Bij de in het eerste
lid bedoelde regels kan in elk geval worden bepaald dat:
a. een bestuurder die het getuigschrift van
vakbekwaamheid heeft behaald, bedoeld in richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van
de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van
ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg,
nationaal en internationaal, en inzake wederzijdse erkenning van diploma’s,
certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het
recht van vrije vestiging van bedoelde vervoersondernemers (PbEG
L 124), is vrijgesteld van bij die regels bepaalde examens tot het verkrijgen
van het getuigschrift van vakbekwaamheid;
b. een bestuurder die kan aantonen in Nederland
een opleiding van ten minste zes maanden tot het verkrijgen van een
getuigschrift van vakbekwaamheid te volgen, op Nederlands grondgebied voor ten
hoogste drie jaar is vrijgesteld van de verplichting over een getuigschrift van
vakbekwaamheid te beschikken.
Artikel 151e
1. Toegang tot een
examen gericht op het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid of tot
de opleiding gericht op het behalen van het getuigschrift van nascholing heeft
degene die aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen
voldoet.
2. Voor toegang tot een
examen gericht op het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid is het
bezit van het overeenkomstige rijbewijs niet vereist.
Artikel 151f
1. Een examen gericht op
het behalen van de basiskwalificatie wordt afgelegd bij een bij ministeriële
regeling aangewezen persoon of instelling, die onder zijn verantwoordelijkheid voor
onderdelen van dat examen anderen kan inschakelen.
2. Nascholing wordt
georganiseerd door een door de aangewezen exameninstantie voor het verrichten
van nascholing erkend opleidingscentrum.
3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:
a. de taken, bevoegdheden en werkwijze van de
aangewezen exameninstantie;
b. de wijze waarop erkenning als
opleidingscentrum geschiedt;
c. de eisen waaraan voldaan moet worden om de
erkenning als opleidingscentrum te verkrijgen en te behouden.
4. Nascholing
georganiseerd door een erkend opleidingscentrum behoeft de certificering van de
aangewezen exameninstantie.
5. De in het vierde lid
bedoelde certificering vindt plaats indien de nascholing voldoet aan de bij
ministeriële regeling te stellen regels.
Artikel 151g
1. Een bestuurder
behaalt de basiskwalificatie in Nederland indien:
a. hij ingezetene is van een lidstaat van de
Europese Unie en in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, of
b. hij ingezetene is van een land buiten de
Europese Unie en werkzaam is voor een in Nederland gevestigde onderneming of
beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
vreemdelingen.
2. Een bestuurder kan de
nascholing in Nederland volgen indien hij in Nederland zijn gewone
verblijfplaats heeft of in Nederland werkzaam is, dan wel in een andere
lidstaat van de Europese Unie indien hij aldaar werkzaam is.
3. Een bestuurder die in
Nederland de basiskwalificatie behaalt of de nascholing met goed gevolg
voltooit en houder is van een Nederlands rijbewijs ontvangt het daarbij
behorende getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel het getuigschrift van
nascholing in de vorm van vermelding van de in de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders bedoelde communautaire code naast de overeenkomstige
rijbewijscategorieën op het rijbewijs.
4. Een bestuurder die in
Nederland de basiskwalificatie behaalt of de nascholing met goed gevolg
voltooit en op dat moment geen houder is van een in Nederland afgegeven geldig
rijbewijs ontvangt als bewijs daarvan een certificaat, met een geldigheidsduur
gelijk aan die van een getuigschrift van vakbekwaamheid onderscheidenlijk een
getuigschrift van nascholing, dat hij kan gebruiken om bij een bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een verzoek in te dienen om op
een door die lidstaat aan de desbetreffende bestuurder afgegeven of nog af te
geven rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder de in de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders bedoelde communautaire code te vermelden.
5. Op een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze wordt door de
aangewezen exameninstantie in het in artikel 126 bedoelde register
geregistreerd dat een bestuurder die houder is van een Nederlands rijbewijs de
basiskwalificatie heeft behaald onderscheidenlijk met goed gevolg de nascholing
heeft voltooid.
6. Een erkend
opleidingscentrum meldt op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen wijze aan de aangewezen exameninstantie welke onderdelen van de
nascholing een bestuurder met goed gevolg heeft voltooid.
7. Een in het derde lid
bedoeld getuigschrift wordt afgegeven door de aangewezen exameninstantie en
uitgereikt door degene die belast is met de afgifte van rijbewijzen.
8. Het in het vierde lid
bedoelde certificaat wordt afgegeven en uitgereikt door de aangewezen
exameninstantie en door deze instantie geregistreerd in het in artikel 126
bedoelde register.
Artikel 151h
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent:
a. de vermelding op het rijbewijs van de
communautaire code, bedoeld in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
b. het in overeenstemming met de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders vastgestelde tijdschema dat een bestuurder moet
volgen bij de nascholing;
c. de certificering bedoeld in artikel 151f,
vijfde lid;
d. het model voor een certificaat als bedoeld in
artikel 151g, vierde lid;
e. de wijze waarop een bestuurder die in een van
de andere lidstaten van de Europese Unie de basiskwalificatie heeft behaald of
de nascholing met goed gevolg heeft voltooid door middel van de daarbij
behorende bewijsstukken, afgegeven door bevoegde autoriteiten van die
lidstaten, via de aangewezen exameninstantie een aanvraag kan indienen om in
Nederland een getuigschrift als bedoeld in artikel 151g, derde lid, te
verkrijgen;
f. de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van
de andere lidstaten van de Europese Unie via de aangewezen exameninstantie
geautoriseerde informatie kunnen verkrijgen over de door een bestuurder in
Nederland behaalde basiskwalificatie en over een door hem in Nederland geheel
of gedeeltelijk met goed gevolg voltooide nascholing;
g. het model voor een nationaal certificaat als
bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel b, de afgifte en de kosten van
een dergelijk certificaat en de wijze waarop de erkenning van nationale
certificaten die zijn afgegeven door andere lidstaten van de Europese Unie tot
stand komt;
h. de mate waarin en de wijze waarop de
aangewezen exameninstantie in verband met de haar in dit hoofdstuk opgedragen
taken toegang heeft tot het in artikel 126 bedoelde register.
Artikel 151i
1. De houder van een
getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing dat zijn geldigheid
heeft verloren doordat het niet binnen de in de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders bedoelde termijn na afgifte is aangevuld met een met goed gevolg
voltooide nascholing kan een nieuw getuigschrift van nascholing verwerven door
de nascholing met goed gevolg te voltooien.
2. De houder van een
certificaat als bedoeld in artikel 151g, vierde lid, dat zijn geldigheid heeft
verloren doordat het niet binnen de op het certificaat vermelde periode van
geldigheid is gebruikt om de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
bedoelde communautaire code op een rijbewijs of een kwalificatiekaart
bestuurder te laten vermelden, kan een nieuw certificaat verwerven door de
nascholing met goed gevolg te voltooien.
Artikel 151j
Het is verboden voor het verkrijgen van
een overeenkomstig artikel 151g, derde lid, op het rijbewijs vermeld
getuigschrift of een in artikel 151g, vierde lid, bedoeld certificaat
opzettelijk onjuiste opgaven te doen, onjuiste inlichtingen te verschaffen en
onjuiste bewijsstukken en andere bescheiden over te leggen.
Artikel 151k
Een wijziging van de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders gaat voor de toepassing van hoofdstuk VIIA gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering
moet zijn gegeven.
Hoofdstuk VIII. Kosten
Artikel 152
1. Verkeerstekens die
worden geplaatst of verwijderd krachtens een verkeersbesluit, worden geplaatst
en verwijderd op kosten van het gezag dat het verkeersbesluit heeft genomen.
2. Maatregelen ter
regeling van het verkeer als bedoeld in artikel 15, tweede lid, geschieden op
kosten van het gezag dat het verkeersbesluit heeft genomen.
Artikel 153
Verkeerstekens die niet worden
geplaatst of verwijderd krachtens een verkeersbesluit, worden geplaatst en
verwijderd op kosten van het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg
of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, de eigenaar van de weg.
Artikel 154
In afwijking van artikel 152 geschiedt
de plaatsing en verwijdering van verkeerstekens, strekkende tot het instandhouden van de weg en het waarborgen van de
bruikbaarheid daarvan op kosten van het openbaar lichaam dat het beheer heeft
over de weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, van de eigenaar
van de weg.
Artikel 155
De kosten, verbonden aan de plaatsing
van verkeerstekens en de uitvoering van maatregelen in dringende
omstandigheden, komen ten laste van degene die deze uitvoert.
Artikel 156
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen kosten, verbonden aan de plaatsing of verwijdering van verkeerstekens,
worden doorberekend aan degene ten behoeve van wie het verkeersteken is
geplaatst of verwijderd.
Artikel 156a
Door burgemeester en wethouders worden
op kosten van de gemeente de grenzen van de bebouwde kom of kommen aangeduid voor
zover en op de wijze als bij ministeriële regeling bepaald.
Artikel 157
Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze tarieven, verschuldigd op
grond van deze wet, gedeeltelijk worden terugbetaald.
Hoofdstuk IX. Handhaving
Artikel 158
1. Met het toezicht op
de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de
hoofdstukken IA, IB en IC, zijn belast de in artikel 159 bedoelde personen en
de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen, voor zover bij dat
besluit is bepaald. Zij beschikken daartoe over de in artikel 160, vierde lid,
genoemde bevoegdheid met betrekking tot het vervoeren van personen en over de
bevoegdheid, genoemd in artikel 160, vijfde lid.
2. Met het toezicht op
de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 34 en 35 zijn voorts
belast de bij besluit van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Economische Zaken aangewezen ambtenaren.
3. Van een besluit als
bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in
de Staatscourant.
Artikel 159
Met de opsporing van de feiten,
strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek
van Strafvordering bedoelde personen;
b. de bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, van de Rijks- en de
provinciale waterstaat, van de Dienst Wegverkeer en van de verkeersinspecties,
een en ander voor zover bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald;
c. de in de artikelen 87 en 89 van de Wet
personenvervoer 2000 bedoelde personen, voor zover het betreft de eisen die met
betrekking tot voertuigen als bedoeld in die wet worden gesteld bij of
krachtens deze wet.
Artikel 160
1. Op de eerste
vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een
motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende
bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:
a. de bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid,
onderdeel b, bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen
wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van
het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid,
onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen;
b. het rijbewijs dan wel het hem door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem
buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs;
c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a, vereiste getuigschrift;
d. indien hem ter zake van een bij of krachtens
deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking
houdende verlening van ontheffing.
2. Indien het
kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het
krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering
worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
termijn.
3. Op de eerste
vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een
voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen
stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet
vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende
verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven.
4. De in artikel 159
bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij
of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten
aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen
plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien
waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het
voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan
zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke
medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in
hun voertuig te vervoeren.
5. Op de eerste
vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de
bestuurder van een voertuig en degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan
besturen, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van
uitgeademde lucht en daartoe volgens door die persoon te geven aanwijzingen
ademlucht te blazen in een door die persoon aangewezen apparaat.
6. Op eerste vordering
van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de
bestuurder van een motorrijtuig en degene die aanstalten maakt een motorrijtuig
te gaan besturen die op grond van artikel 132c, eerste lid, onderdeel d, de
feitelijke beschikking hebben gekregen over een rijbewijs waarop de bij
ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot
is vermeld, verplicht het alcoholslot, dan wel de daarvan deel uitmakende ademalcoholtester te tonen of een blaastest op het in het
motorrijtuig aanwezige alcoholslot uit te voeren.
7. De bestuurder van een
voertuig, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding
wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is
verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken
belangen gegeven bevelen op te volgen.
Artikel 161
1. De in artikel 159,
onderdeel a, bedoelde personen die bij de uitoefening van de bij of krachtens
deze wet, krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht dan wel
krachtens artikel 5:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan hen
verleende bevoegdheden de beschikking krijgen over een rijbewijs waarvan
ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte
is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan
ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid,
131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, en 134, vierde
lid, of 180, vierde lid, van deze wet een verplichting tot inlevering bestaat,
zijn bevoegd dat rijbewijs in te nemen en het door te geleiden naar het
betrokken parket van het openbaar ministerie dan wel naar degene bij wie de
houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
2. De in artikel 159,
onderdeel a, bedoelde personen die bij de uitoefening van de bij of krachtens
deze wet aan hen verleende bevoegdheden de beschikking krijgen over een
rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren ingevolge artikel 123, eerste lid,
aanhef en onderdeel d, zijn bevoegd dat rijbewijs in te nemen en door te
geleiden naar de instantie die het heeft afgegeven.
3. Voor de toepassing
van het eerste en het tweede lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
4. Bij ministeriële
regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld ter uitvoering van het eerste,
tweede en derde lid.
Artikel 162
1. Een van de in artikel
159, onderdeel a, bedoelde personen kan de bestuurder van een voertuig van wie,
uit het in artikel 160, vijfde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar
het oordeel van die persoon gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het
gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, verkeert, dat hij
onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen, een rijverbod
opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat
deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige
volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een
voertuig te gaan besturen.
2. De
opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, legt dit vast in een beschikking
die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
3. Het is degene aan wie
een rijverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een voertuig
te besturen of als bestuurder te doen besturen gedurende de tijd waarvoor dat
rijverbod geldt.
Artikel 163
1. Bij verdenking dat de
bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de
opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek
als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid,
onderdeel a.
2. De bestuurder aan wie
het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te
blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle
door de opsporingsambtenaar ten dienste van het
onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid
genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is,
dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere
geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld
in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft
geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte
vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8, derde lid,
onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het
vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 8,
eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien de bestuurder
zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de
officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij
regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een
bloedonderzoek.
6. De bestuurder wie is
bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel
gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel
bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7. De in het zesde lid
genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is,
dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk
is.
8. De krachtens het
zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde
personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie,
door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van
Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed-
of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde stoffen
of het in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8, derde lid,
onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte
niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier
van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling
van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde
hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed
vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn
toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid
worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig
bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de
verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van
uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen
mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek.
Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene
maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die
regels vastgesteld.
Artikel 164
1. Op de eerste
vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de
bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen
proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of
krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte
van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag
buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal
rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde
vordering wordt gedaan in geval van overtreding van:
a. artikel 8, indien bij een onderzoek als
bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een
dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van
de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter
uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de
bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;
b. artikel 8, indien bij een onderzoek als
bedoeld in het derde of vierde lid van die bepaling blijkt of, bij het
ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het
alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol
per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed
van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter
bloed;
c. artikel 163, tweede, zesde, achtste of
negende lid;
d. overschrijding van een krachtens deze wet
vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een bestuurder
van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staandehouding
van de bestuurder;
e. overschrijding van een krachtens deze wet
vastgestelde maximumsnelheid met dertig kilometer of meer door een bestuurder
van een bromfiets, in geval van staandehouding van de
bestuurder.
3. De in het eerste lid
bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid
op de weg ernstig in gevaar is gebracht.
4. De ingevorderde
bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de
officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening
moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als
bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie
bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de
strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in
kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak
de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen
onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.
5. De officier van
justitie is bevoegd de toepassing van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid
te schorsen indien:
a. de geldigheid van de bewijzen ingevolge
artikel 131, derde lid, onderdeel a, voor alle categorieën van motorrijtuigen
waarvoor zij zijn afgegeven, wordt geschorst;
b. de bewijzen ingevolge artikel 124 voor alle
categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, ongeldig worden
verklaard voor een bepaald deel van de geldigheidsduur;
c. een rechterlijke uitspraak of
strafbeschikking waarbij de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is
ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
De
schorsing duurt voort zolang de bewijzen ingevolge de onderdelen a, b en c
ongeldig zijn.
6. Indien de officier van
justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de
in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen
onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig
rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval
van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking
geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging
van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of
ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van
de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering
is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is
uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan betrokkene teruggegeven, indien het
een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of
164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is
gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid,
124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede
lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering
bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de
houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
7. In geval van
toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere
bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de
vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt
zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de
artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid, 171,
172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met
4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats
indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet
langer tegen de teruggave verzet.
8. In geval van
toepassing van het eerste of vierde lid kan elke belanghebbende bij
klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is
ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het
arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders
ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging
plaatsvindt of, in geval van verzet tegen een uitgevaardigde strafbeschikking,
zou worden voortgezet, dan wel het laatst plaatsvond. Artikel 552a, vierde en
zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering is verder van overeenkomstige
toepassing. De raadkamer van het gerecht geeft zo spoedig mogelijk, na de
belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben gehoord,
althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beslissing, welke onverwijld aan
de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beslissing kan door het openbaar
ministerie binnen veertien dagen daarna en door de belanghebbende binnen veertien
dagen na de betekening beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad
beslist zo spoedig mogelijk.
9. Indien de zaak
eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch
op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid niet
is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een
vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge
van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet
in vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde tot en met zesde lid, 90, 91
en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 165
1. Indien een bij deze
wet als misdrijf strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking
van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, is de eigenaar
of houder van dat motorrijtuig verplicht op vordering van een der in artikel
159 bedoelde personen binnen een daarbij te stellen termijn, die ten minste achtenveertig
uren bedraagt, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te
maken.
2. Het eerste lid geldt
niet, indien de eigenaar of houder niet heeft kunnen vaststellen wie de
bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 166
1. Indien een bij deze
wet als misdrijf strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking
van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, waarmee een
aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, is de
eigenaar of houder van die aanhangwagen verplicht op vordering van een der in
artikel 159 bedoelde personen binnen een daarbij te stellen termijn, die ten
minste achtenveertig uren bedraagt, de naam en het volledige adres van de bestuurder
dan wel van de eigenaar of houder van het motorrijtuig, waarmee die
aanhangwagen werd voortbewogen, bekend te maken.
2. Het eerste lid geldt
niet, indien de eigenaar of houder van de aanhangwagen niet heeft kunnen
vaststellen wie de bestuurder dan wel de eigenaar of houder van het
motorrijtuig, waarmee die aanhangwagen werd voortbewogen, was en hem daarvan
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 167
De artikelen 165 en 166 zijn mede van
toepassing op de eigenaar of houder van een in het buitenland geregistreerd
motorrijtuig of een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen.
Artikel 168
Voor de toepassing van artikel 160,
voor wat betreft de in het eerste lid bedoelde verplichting tot het doen
stilhouden van een motorrijtuig en het vierde, vijfde en zesde lid, en van de
artikelen 162, eerste lid, 163 en 164 wordt met de bestuurder van een
motorrijtuig gelijkgesteld degene die overeenkomstig de in artikel 1, eerste
lid, onderdeel n, bedoelde voorwaarde geacht wordt het motorrijtuig onder
onmiddellijk toezicht van de bestuurder te besturen.
Hoofdstuk X. Last onder bestuursdwang
Artikel 169
1. Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang
ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
2. De ambtenaren die een
bevel hebben gegeven als bedoeld in artikel 160, zesde lid, zijn bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bevel.
Artikel 170
1. Tot de bevoegdheid
van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang
als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het
overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien
met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt
overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in
verband met
a. het belang van de veiligheid op de weg, of
b. het belang van de vrijheid van het verkeer,
of
c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en
wegen.
2. De artikelen 5:24,
5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29, vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31
van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Bij de toepassing van
artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de rechthebbende die het
voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder. Voor de toepassing van
artikel 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de omstandigheid dat een
voertuig niet is afgehaald, gelijkgesteld met de omstandigheid dat het voertuig
niet kan worden teruggegeven.
3. Burgemeester en
wethouders plegen regelmatig overleg met de officier van justitie over de
uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.
4. Burgemeester en
wethouders dragen er zorg voor dat in een daartoe aangelegd register
aantekening wordt gehouden van de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheid wordt uitgeoefend.
5. Bij toepassing van
het eerste lid wordt onder rechthebbende verstaan: degene die ofwel eigenaar is
van het voertuig ofwel anders dan als bezitter het voertuig ten tijde van de
overtreding ten gebruike onder zich had. Hierbij
geldt artikel 1, tweede lid, niet.
6. De in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid wordt niet uitgeoefend, indien de rechthebbende het
voertuig verwijdert voordat met de overbrenging een aanvang wordt gemaakt. Hij
is alsdan de kosten verbonden aan de voorbereiding van de overbrenging,
verschuldigd. De artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, en 5:10 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 171
1. Een beschikking tot
oplegging van een last onder bestuursdwang overeenkomstig artikel 170, eerste
lid, wordt bekendgemaakt:
a. aan de rechthebbende die het voertuig
afhaalt, of
b. indien het voertuig binnen achtenveertig uur
na de inbewaringstelling niet is afgehaald, zo mogelijk binnen een week:
1°. aan degene aan wie het kenteken is opgegeven,
indien het voertuig een kenteken voert;
2°. aan degene die aangifte heeft gedaan, indien
blijkt dat ter zake van het voertuig aangifte van vermissing is gedaan, of
3°. in nader bij ministeriële regeling vast te
stellen gevallen op de daarbij aangegeven wijze.
2. Bij de bekendmaking
krachtens het eerste lid, onderdeel b, wordt gewezen op het verschuldigd
zijn van kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang.
Artikel 172
1. Tot de kosten,
verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in
artikel 170, eerste lid, worden gerekend:
a. de kosten die verband houden met de
overbrenging en bewaring;
b. de kosten die verband houden met de
bekendmaking van de beschikking tot overbrenging en inbewaringstelling, en
c. de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om
niet of vernietiging.
2. Verkoop, eigendomsoverdracht
om niet of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de bekendmaking
van de beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang krachtens
artikel 171, eerste lid, onderdeel b. De opbrengst van verkoop of de geschatte sloopwaarde
bij vernietiging wordt in mindering gebracht op de kosten, verbonden aan de
oplegging van een last onder bestuursdwang.
3. Burgemeester en
wethouders betalen het bedrag van de kosten, verbonden aan de oplegging van een
last onder bestuursdwang, terug, indien:
a. niet tot overbrenging en inbewaringstelling
had mogen worden overgegaan;
b. de omstandigheden waaronder de overtreding is
begaan, van dien aard waren dat de kosten redelijkerwijs niet verschuldigd
zijn, of
c. aannemelijk is dat het voertuig tegen de wil
van de rechthebbende is gebruikt en hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft
kunnen voorkomen.
4. In een geval als
bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zijn de kosten verschuldigd door degene
die de overtreding heeft begaan. De artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124 en
5:10 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
5. Indien de kosten,
verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang, die door de
rechthebbende zijn betaald, te hoog zijn berekend, betalen burgemeester en
wethouders het te veel betaalde terug.
6. Indien de in het
derde lid, onderdeel b, bedoelde omstandigheden van dien aard waren dat
de kosten redelijkerwijs niet volledig verschuldigd zijn, betalen burgemeester
en wethouders het niet verschuldigde bedrag terug.
7. Bij toepassing van
het derde lid, onderdeel a, betalen burgemeester en wethouders tevens een
redelijke schadeloosstelling aan de rechthebbende die het voertuig heeft
afgehaald. Indien het voertuig ten tijde van de overtreding in gebruik was bij
een ander dan de rechthebbende die het voertuig heeft afgehaald, treedt die
ander voor de toepassing van dit lid in de plaats van de rechthebbende die het
voertuig heeft afgehaald.
8. Indien aantoonbaar is
dat tijdens de overbrenging en bewaring schade aan het voertuig is toegebracht,
is de gemeente gehouden deze schade te vergoeden.
Artikel 173
1. Bij algemene
maatregel van bestuur worden:
a. de soorten van de in artikel 170, eerste lid,
onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen;
b. nadere regels vastgesteld over de registratie
van gegevens in geval van toepassing van artikel 170, eerste lid;
c. nadere regels vastgesteld over de berekening
van de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang, en
d. de overige regels vastgesteld die voor de
uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 nodig worden geacht.
2. Bij gemeentelijke
verordening worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170
tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Die regels betreffen in elk geval
a. de aanwijzing van de plaats,
onderscheidenlijk de plaatsen, waar verwijderde voertuigen in bewaring worden
gesteld, en
b. de berekening van de kosten, verbonden aan de
oplegging van een last onder bestuursdwang, en voorts
c. de aanwijzing van de weggedeelten en wegen,
voor de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang, bedoeld in
artikel 170, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 174
1. Indien ter zake van
een overtreding van artikel 40, eerste lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door
een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een op
dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven in de in artikel 2,
eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met
een op de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de eigenaar
of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester bevoegd op verzoek van
die ambtenaar dat motorrijtuig naar een door hem aangewezen plaats te doen
overbrengen en in bewaring te doen stellen.
2. Alvorens het in het
eerste lid bedoelde verzoek te doen, kan de daar bedoelde ambtenaar door middel
van een daartoe aan te brengen apparaat het rijden met het motorrijtuig voor
ten hoogste twee dagen beletten. Het apparaat wordt binnen die termijn
verwijderd, zodra bekend wordt wie de eigenaar of houder van het motorrijtuig
is.
3. De artikelen 170,
tweede lid, tweede en derde volzin, vierde, vijfde en zesde lid, 171, 172 en
173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124,
5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, en 5:30, eerste,
tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XI. Strafbepalingen
Artikel 175
1. Overtreding van
artikel 6 wordt gestraft met:
a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een
ander wordt gedood;
b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en
zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval
betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
2. Indien de schuld
bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met:
a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een
ander wordt gedood;
b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren
of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor
een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
3. Indien de schuldige
verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde
lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens
artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is
veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet
vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer
dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of
gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde
gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd.
Artikel 176
1. Overtreding van
artikel 41, eerste lid, onderdelen c tot en met f, wordt gestraft hetzij met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden en geldboete van de derde
categorie, hetzij met een van beide voormelde straffen.
2. Overtreding van artikel
11 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
3. Overtreding van de
artikelen 7, eerste lid, 8, 9, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en negende
lid, 41, eerste lid, onderdelen a en b, 51, eerste lid, 61, eerste lid,
onderdeel c, 74, 114, 151j,162, derde lid, 163, tweede, zesde, achtste en
negende lid, en van de in artikel 4, tweede en vijfde lid, bedoelde regels voor
zover het betreft een verbod tot het gebruik van verlichting, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 177
1. Overtreding van:
a. de artikelen 5, 9, achtste lid, 10, eerste
lid, 12, eerste lid, 33, 36, eerste tot en met vijfde lid, 40, eerste lid , 60,
eerste en tweede lid, 70a, tweede lid, 70i, eerste en tweede lid, 72, eerste en
tweede lid, 107, eerste en tweede lid, 110, 110b, 123b, vierde lid, 124, vierde
lid, 124a, derde lid, 130, tweede lid, 132, vijfde lid, 150, tweede lid, 151c,
eerste lid, 160, 164, eerste lid, 165, eerste lid, 166, eerste lid,
b. het bepaalde ingevolge de artikelen 57, derde
lid, 70i, derde lid en 131, derde lid, onderdeel b,
c. de in artikel 4, tweede en vijfde lid,
bedoelde regels voor zover niet begrepen in artikel 176, derde lid, en,
d. het bepaalde krachtens deze wet, voor zover
die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt,
wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede
categorie.
2. Overtreding van de
artikelen 66, 70g, 89, 104, 106b, 132j en 132o wordt gestraft met geldboete van
de derde categorie.
Artikel 178
1. De in de artikelen
175 en 176 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
2. De in artikel 177
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 179
1. Bij veroordeling van
de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 6, 7,
eerste lid, 8, 9, 162, derde lid, of 163, tweede, zesde, achtste of negende
lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten
hoogste vijf jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling van
de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 5, 10,
eerste lid, 12, eerste lid, 41, eerste lid, 51, eerste lid, 61, 74 of 114, dan
wel van de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen wegens
overtreding van artikel 165, eerste lid, of artikel 166, eerste lid, kan hem de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste twee jaren
worden ontzegd.
3. Bij veroordeling van
de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van het bepaalde
krachtens deze wet kan hem in die gevallen, waarin dit bij algemene maatregel
van bestuur is bepaald, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor
ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
4. Indien tijdens het
plegen van een der strafbare feiten in het eerste lid genoemd, nog geen vijf
jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere
onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene
de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, kan hem die
bevoegdheid voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd.
5. Indien tijdens het
plegen van een der strafbare feiten in het tweede lid genoemd of krachtens deze
wet aangewezen, nog geen twee jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur
waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die
strafbare feiten of wegens een der in het eerste lid bedoelde strafbare feiten
de betrokkene de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd,
kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste vier jaren worden ontzegd.
6. Bij het opleggen van
de bijkomende straf, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, wordt de
tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164
vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden
is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering gebracht.
7. Voor de toepassing
van dit artikel wordt met de bestuurder van een motorrijtuig gelijkgesteld
degene die overeenkomstig de in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, bedoelde
voorwaarde geacht wordt het motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de
bestuurder te besturen.
8. Voor de toepassing van
het zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is.
9. Voor de toepassing
van dit artikel wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.
10. Voor de toepassing
van het vierde onderscheidenlijk het vijfde lid, wordt onder vroegere
onherroepelijke veroordeling mede verstaan een vroegere onherroepelijke
veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie
wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in het vierde
onderscheidenlijk het vijfde lid.
Artikel 179a
1. Bij veroordeling
wegens een der in de artikelen 285, 287 of 289 van het Wetboek van Strafrecht
omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een
motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren
worden ontzegd.
2. Bij veroordeling
wegens een der in de artikelen 301, 302 of 303 van het Wetboek van Strafrecht
omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een
motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren
worden ontzegd.
3. Voor de toepassing
van het tweede lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling
gelijkgesteld.
Artikel 180
1. Voor wat betreft de
bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen is artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende
deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als
geen verzet meer kan worden gedaan.
2. De rechterlijke
uitspraak of strafbeschikking is voor wat betreft de bijkomende straf niet voor
tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn waarvoor de veroordeelde bij een
andere rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen
van motorrijtuigen is ontzegd, nog niet is verstreken.
3. Indien de
rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf
voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet
dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens
de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip
van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het
rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige
inlevering worden medegedeeld.
4. De houder van een
rijbewijs is, tenzij het is ingevorderd en niet is teruggegeven, verplicht dat
rijbewijs in te leveren op het parket van het openbaar ministerie vanwaar hij
het schrijven, bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen, uiterlijk op het
tijdstip van ingang van de ontzegging.
5. Teruggave vindt
plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt
plaats ten aanzien van het rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een
der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is
gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd, ten aanzien waarvan ingevolge
een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel
b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een
verplichting tot inlevering bestaat. De officier van justitie geleidt in deze
gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie de houder dat
rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te leveren. Indien het rijbewijs op
grond van artikel 123b ongeldig is dan wel indien een aantekening is geplaatst
als bedoeld in dat artikel, geleidt de officier van justitie het rijbewijs of
de rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.
6. De termijn van
ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt van
rechtswege verlengd met het aantal dagen dat is verstreken tussen het tijdstip
waarop het rijbewijs ingevolge het vierde lid had moeten worden ingeleverd en
het tijdstip waarop nadien die inlevering heeft plaatsgevonden.
7. De termijn van de
ontzegging wordt voorts verlengd met de tijd dat de veroordeelde gedurende de
ontzegging rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
8. Voor de toepassing
van het derde, vierde, vijfde en zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan
een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 181
1. Indien een bij of
krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een
bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een
motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de
eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de
bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
2. Het eerste lid geldt
bij een strafbeschikking niet, indien de eigenaar of houder:
a. voor het uitvaardigen van de strafbeschikking
de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt,
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de
bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Het eerste lid geldt
bij berechting niet, indien de eigenaar of houder:
a. binnen twee weken na daartoe door een der in
artikel 159 bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel bij het
instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de naam en het volledige adres
van de bestuurder heeft bekend gemaakt;
b. uiterlijk op de dag vóór die der
terechtzitting, schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der
terechtzitting, de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het
openbaar ministerie bekend maakt;
c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging,
bedoeld in artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de naam
en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
d. niet heeft kunnen vaststellen wie de
bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
4. Op straffe van
nietigheid wijst de dagvaarding op het derde lid, onderdelen b en c. De
strafbeschikking wijst de verdachte op de mogelijkheid bij het instellen van
verzet gegevens te verstrekken die tot toepassing van het derde lid, onderdeel
a of d, kunnen leiden.
Artikel 182
1. Indien een bij of
krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een
bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een
motorrijtuig waarmee een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is vereist, wordt
voortbewogen, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de
eigenaar of houder van die aanhangwagen.
2. Het eerste lid geldt
bij een strafbeschikking niet, indien de eigenaar of houder van de
aanhangwagen:
a. voor het uitvaardigen van de strafbeschikking
de naam en het volledige adres bekend heeft gemaakt van de bestuurder dan wel
van de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de aanhangwagen werd
voortbewogen,
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder
dan wel van de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de aanhangwagen
werd voortbewogen, was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
gemaakt.
3. Het eerste lid geldt
bij berechting niet, indien de eigenaar of houder van de aanhangwagen:
a. binnen twee weken na daartoe door een der in
artikel 159 bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel bij het
instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de naam en het volledige adres
van de bestuurder dan wel van de eigenaar of houder van het motorrijtuig
waarmee de aanhangwagen werd voortbewogen, heeft bekend gemaakt;
b. uiterlijk op de dag vóór die der
terechtzitting, schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der
terechtzitting, de naam en het volledige adres van de bestuurder dan wel van de
eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de aanhangwagen werd
voortbewogen, aan het openbaar ministerie bekend maakt;
c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de
ondervraging, bedoeld in artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, de naam en het volledige adres van de bestuurder dan wel van de
eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de aanhangwagen werd
voortbewogen, bekend maakt;
d. niet heeft kunnen vaststellen wie de
bestuurder dan wel de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de
aanhangwagen werd voortbewogen, was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt
kan worden gemaakt.
4. Op straffe van
nietigheid wijst de dagvaarding op het derde lid, onderdelen b en c. De strafbeschikking
wijst de verdachte op de mogelijkheid bij het instellen van verzet gegevens te
verstrekken die tot toepassing van het derde lid, onderdeel a of d, kunnen
leiden.
Artikel 183
De artikelen 181 en 182 zijn mede van toepassing
op de eigenaar of houder van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig
of een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen.
Artikel 184
Bij overtreding van artikel 7, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, is strafvervolging tegen de in dat artikel bedoelde
overtreder uitgesloten, indien deze binnen twaalf uren na het verkeersongeval
en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van het
ongeval kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde personen en daarbij zijn identiteit en, voor zover hij
een motorrijtuig bestuurde, tevens de identiteit van dat motorrijtuig bekend
maakt.
Hoofdstuk XII. Civiele
aansprakelijkheid
Artikel 185
1. Indien een
motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een
verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat
motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig
of - indien er een houder van het motorrijtuig is - de houder verplicht om die
schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan
overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand,
voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is.
2. De eigenaar of houder
die het motorrijtuig niet zelf bestuurt, is aansprakelijk voor de gedragingen
van degene door wie hij dat motorrijtuig doet of laat rijden.
3. Het eerste en het
tweede lid vinden geen toepassing ten aanzien van schade, door een motorrijtuig
toegebracht aan loslopende dieren, aan een ander motorrijtuig in beweging of
aan personen en zaken die daarmee worden vervoerd.
4. Dit artikel laat
onverkort de uit andere wettelijke bepalingen voortvloeiende aansprakelijkheid.
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 186
1. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor een periode
van ten hoogste zes jaar ten behoeve van experimenten met:
a. verkeerstekens en maatregelen op of aan de
weg;
b. de eisen ten aanzien van voertuigen waarmee
over de weg wordt gereden of voertuigen die op de weg staan;
c. de eisen ten aanzien van rijvaardigheid en
rijbevoegdheid.
Daarbij
kan worden afgeweken van hoofdstuk II, paragraaf 2, hoofdstuk V, paragraaf 1 en
hoofdstuk VI van deze wet en van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder, alsmede
van de krachtens die paragrafen of die hoofdstukken gestelde regels, een en
ander met inachtneming van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet
gezamenlijk.
2. In de in het eerste
lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt in elk geval bepaald:
a. van welke van de in het eerste lid bedoelde
bepalingen wordt afgeweken;
b. het resultaat dat met een experiment, als
bedoeld in het eerste lid, wordt beoogd.
3. Onze Minister zendt
uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in
het eerste lid, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan
alsmede een standpunt inzake de voortzetting anders dan als experiment, aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 186a
1. De verplichting,
bedoeld in artikel 151c, eerste lid, geldt voor een bestuurder van:
a. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een
van de categorieën D1, E bij D1, D of E bij D, bedoeld in artikel 3 van
richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli
1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237), of een
als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is: met ingang van 10 september
2008;
b. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een
van de categorieën C1, E bij C1, C of E bij C, bedoeld in artikel 3 van de in
onderdeel a genoemde richtlijn, of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs
vereist is: met ingang van 10 september 2009.
2. Een wijziging van de
in het eerste lid, onderdeel a, genoemde richtlijn en van de in artikel 151b,
onderdeel a, bedoelde richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gaat voor de
toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 187
De inwerkingtreding van deze wet wordt
nader bij de wet geregeld.
Artikel 188
Deze wet kan worden aangehaald als:
Wegenverkeerswet 1994.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
's-Gravenhage, 21 april 1994
Beatrix
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. R. H. Maij-Weggen
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
Uitgegeven
de dertigste juni 1994
De Minister van Justitie,
A.
Kosto