www.bovia.nl update 19-03-2012
Uitvoeringsregeling
belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op de artikelen 3, vierde en
vijfde lid, 4, tweede lid, 6, derde lid, 8, eerste lid, 9, negende lid, 10,
tweede lid, 14, tweede lid, 17, derde lid, 20, tweede lid, en 34 van de Wet op
de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Stb. 709).
Besluit:
Artikel 1
1. Deze regeling geeft
uitvoering aan de artikelen 3, vijfde lid, 4, tweede lid, 8, 9, elfde lid, 9a,
tweede lid, 9b, derde lid, 9c, derde lid, 10, tweede, zesde en achtste lid,
10a, eerste lid, 10c, tweede, derde en vijfde lid, 13a, tweede lid, 14a, vierde
en zesde lid, 14b, zevende lid, 15a, zevende en dertiende lid, 16, vijfde lid,
en 17, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992.
2. Deze regeling
verstaat onder:
a. wet: Wet op de belasting van personenauto's
en motorrijwielen 1992;
b. belasting: belasting van personenauto's en
motorrijwielen.
Artikel 2
1. De laadruimte voldoet
aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien
deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten
waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in
artikel 3 van de wet voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en
waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het
desbetreffende motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden,
indien de laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een
vaste wand, de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder in de achterste
stand geplaatst.
2. Het verschil in
hoogte tussen de cabine en de laadruimte is de verticale afstand tussen het
denkbeeldige horizontale vlak waarin de beide hoogste punten van de dagopening
van de deuren bij de voorzitplaatsen zijn gelegen, en het hoogste gedeelte van
het dak van de laadruimte, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.
3. De hoogte van de
cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de grootste afstand
tussen vloer en dak van de cabine, gemeten over een breedte van ten minste 20
cm.
4. De lengte van de
cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende motorrijtuig gemeten
afstand tussen het achterste punt van het stuurwiel en de vaste wand die de
cabine van de laadruimte scheidt.
5. De lengte van de
laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine is gelijk aan de lengte
van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm
en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten,
waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het
desbetreffende motorrijtuig.
6. De lengte die de
laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine zou hebben indien de
zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken, is gelijk aan de lengte van het
langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een
breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan
de lengte-as evenwijdig is aan die van het
desbetreffende motorrijtuig, en waarbij er voor het nemen van de maat van wordt
uitgegaan dat die laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een
115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste vaste wand.
7. De hoogte van de
vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, is de afstand tussen het
laagste punt van de bovenzijde van de wand en het hoogste punt van de
laadvloer.
8. De vaste wand die de
cabine van de laadruimte scheidt, dient verticaal en in een hoek van 90° ten
opzichte van de lengte-as te zijn geplaatst en wel:
a. indien het motorrijtuig niet is voorzien van
een dubbele cabine: ten hoogste 115 cm achter het achterste punt van het
stuurwiel;
b. indien het motorrijtuig is voorzien van een
dubbele cabine: direct achter de achterste zitplaatsen.
9. De vaste wand die de
cabine van de laadruimte scheidt dient:
a. te zijn vervaardigd uit ondoorzichtig en
vormvast materiaal, waarbij een vast raam met een hoogte van 40 cm is
toegestaan;
b. geheel vlak te zijn;
c. uit één geheel te bestaan, waarbij
voorzieningen zijn toegestaan ten behoeve van het aan het desbetreffende
motorrijtuig noodzakelijk te plegen onderhoud; en
d. zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke
wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.
10. Een laadruimte is
niet voorzien van zijruiten indien de zijruiten geheel zijn verwijderd en zijn
vervangen door niet uit glas bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig
en vormvast materiaal. De panelen dienen zoveel mogelijk rondom en op
onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.
11. De laadruimte dient
in haar geheel te zijn voorzien van een vaste, vlakke laadvloer. De laadvloer
dient zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de
carrosserie te zijn verbonden.
Artikel 3
[Vervallen.]
Artikel 4
Met motorrijwielen als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet worden gelijkgesteld motorrijtuigen op drie
of vier wielen die:
1. geschikt zijn voor het vervoer van ten
hoogste twee personen;
2. niet zijn voorzien van een gesloten
carrosserie of een daarmee vergelijkbare constructie;
3. zijn geconstrueerd met een frame;
4. een directe stuuroverbrenging hebben naar het
voorwiel of de voorwielen; en
5. waarin de motor en versnellingsbak centraal
zijn geplaatst.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 6
1. De toestemming als
bedoeld in artikel 8, van de wet wordt verleend aan een ondernemer die een
zodanige administratie voert dat daarin naar het oordeel van de inspecteur op
duidelijke en overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de belasting van
belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De inspecteur kan ter zake nadere
voorwaarden en beperkingen stellen, waarbij de toestemming voor gebruikte
motorrijtuigen kan worden beperkt tot motorrijtuigen waarvoor de vermindering
ingevolge artikel 10, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld op de voet van
artikel 10, zesde lid, van de wet.
2. De administratie
dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de data van de
tenaamstelling van de kentekens van motorrijtuigen waarvoor een kenteken is
aangevraagd.
3. De inspecteur kan aan
degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet is verleend
de verplichting opleggen de motorrijtuigen waarvoor een kenteken is
aangevraagd, te tonen op een door de inspecteur aan te wijzen plaats.
4. Indien niet wordt
voldaan aan het in het eerste, tweede of derde lid bepaalde, kan de inspecteur
de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet bij voor bezwaar vatbare
beschikking weigeren of intrekken.
Artikel 6a
Voor de toepassing van de artikelen 9,
elfde lid, 9a, tweede lid en 9c, derde lid, blijkt de omvang van de emissie van
CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring,
bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de
fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is
verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven:
de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de
Wegenverkeerswet 1994;
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is
verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen
individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele
keuring van de auto, waarbij de CO2-emissie is gemeten
overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen
geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de
onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-emissie
van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische
Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig
internationaal reglement.
Artikel 7
Het voldoen aan de in artikel 9b,
eerste lid, van de wet vermelde voorwaarde blijkt uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring,
bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de
fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is
verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven,
de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de
Wegenverkeerswet 1994;
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is
verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen
individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele
keuring van de auto, waarbij de emissies van de auto zijn gemeten
overeenkomstig de geldende ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand
gekomen geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de
onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de emissies van de
auto blijken, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische
Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig
internationaal reglement.
Artikel 8
1. De inkoopwaarde in
Nederland, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, kan worden
vastgesteld door de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde
lid, van de wet, en de belasting op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor
het eerst in gebruik is genomen te verminderen met € 500 en vervolgens te
vermenigvuldigen met 0,88.
2. De afschrijving
bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet bedraagt met betrekking tot
personenauto's of motorrijwielen als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
onderdelen a en b, van de wet:
– 6 percent per maand voor de eerste drie
maanden die zijn verstreken na het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het
eerst als zodanig in gebruik is genomen; en
– 2,5 percent voor iedere volgende maand,
indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet..
3. De afschrijving
bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, met betrekking tot
personenauto's als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de wet
bedraagt 1,5 percent per maand die is verstreken na het tijdstip waarop het
motorrijtuig voor het eerst als zodanig in gebruik is genomen, indien daarop
een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.
4. Indien een gebruikt
motorrijtuig essentiële gebreken vertoont waardoor met het motorrijtuig niet
kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de vermindering, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, van de wet, niet vastgesteld dan nadat deze gebreken
zijn hersteld. Van essentiële gebreken is in elk geval sprake zolang het
motorrijtuig blijkens een vermelding in het register, bedoeld in artikel 1,
tweede lid, van de wet, bestemd is voor sloop of wacht op keuring.
5. De opgaaf, bedoeld in
artikel 10, zevende lid, van de wet, bestaat uit:
a. een verwijzing naar een in de handel algemeen
toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door
wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit
die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, van de wet, is ontleend; of
b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:
– dat is opgemaakt ten hoogste een maand vóór
het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 van de wet is verschuldigd,
in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert, door een
onafhankelijke, erkende taxateur, waaruit inzichtelijk en gedetailleerd de
waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper in
Nederland; en
– dat is voorzien van een verklaring van de
taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid
is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig,
onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam,
adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht.
6. Bij toepassing van de
artikelen 10, zesde lid en 10a, eerste lid, van de wet is de afschrijving,
bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, een percentage van het
belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet, na
toepassing van artikel 9a, artikel 9b en artikel 9c, tweede lid, van de wet,
welk percentage is aangegeven in de navolgende tabel. Het vierde lid blijft in
dat geval buiten toepassing.
|
Indien sinds het tijdstip waarop het
motorvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen een periode is verstreken
van ten minste |
Maar minder dan |
Is het percentage |
En voor iedere maand
die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde
periode vermeerderd met |
|
0 dagen |
1 maand |
0 |
5 |
|
1 maand |
3 maanden |
5 |
3 |
|
3 maanden |
5 maanden |
11 |
2,5 |
|
5 maanden |
9 maanden |
16 |
2,25 |
|
9 maanden |
1 jaar en 6 maanden |
25 |
1,444 |
|
1 jaar en 6 maanden |
2 jaar en 6 maanden |
38 |
0,917 |
|
2 jaar en 6 maanden |
3 jaar en 6 maanden |
49 |
0,833 |
|
3 jaar en 6 maanden |
4 jaar en 6 maanden |
59 |
0,75 |
|
4 jaar en 6 maanden |
5 jaar en 6 maanden |
68 |
0,5 |
|
5 jaar en 6 maanden |
6 jaar en 6 maanden |
74 |
0,416 |
|
6 jaar en 6 maanden |
7 jaar en 6 maanden |
79 |
0,416 |
|
7 jaar en 6 maanden |
8 jaar en 6 maanden |
84 |
0,333 |
|
8 jaar en 6 maanden |
9 jaar en 6 maanden |
88 |
0,333 |
|
9 jaar en 6 maanden |
|
92 |
0,083 |
7. Bij toepassing van
artikel 10, zesde lid, van de wet, is de vermindering ten hoogste het
belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet, na
toepassing van artikel 9a, artikel 9b en artikel 9c, tweede lid, van de wet.
8. In afwijking van het
tweede lid en het derde lid wordt de afschrijving vastgesteld aan de hand van
de in het zesde lid opgenomen tabel, indien daarop een beroep wordt gedaan in
het aangiftebiljet.
9. De inspecteur kan,
met het oog op een juiste toepassing van artikel 10 van de wet, bepalen dat het
motorrijtuig gedurende ten hoogste zes werkdagen na de datum waarop de aangifte
is ingediend in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden teneinde het
motorrijtuig in deze staat op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en
tijdstip te tonen.
Artikel 8a
1. Voor de toepassing
van de vermindering van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 10c,
tweede of derde lid, van de wet, worden bij de voldoening op aangifte van de
voor het motorrijtuig verschuldigde belasting ingevolge artikel 1, derde of
zesde lid, van de wet, op verzoek van de inspecteur nadere gegevens overgelegd
die naar zijn oordeel van belang zijn voor een juiste vaststelling van de
vermindering.
2. De vermindering,
bedoeld in het eerste lid, wordt berekend met overeenkomstige toepassing van
artikel 8d, eerste, tweede en vierde lid, met dien verstande, dat de
vermindering wordt vastgesteld aan de hand van de tijdsduur die is verstreken
tussen het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is
genomen in de hoedanigheid waarin het eerder in de heffing van de belasting is
betrokken, en het tijdstip waarop voor het motorrijtuig de belasting opnieuw is
verschuldigd ingevolge artikel 1, derde of zesde lid, van de wet.
3. Ingeval voor het
motorrijtuig teruggaaf van de eerder betaalde belasting is verleend, wordt de
vermindering alleen toegepast voor zover de eerder teruggegeven belasting op
een later tijdstip alsnog als verschuldigde belasting is voldaan.
Artikel 8b [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 8c
1. De in artikel 13a,
tweede lid, van de wet bedoelde periode van terbeschikkingstelling van een
bestelauto bedraagt vier weken, verminderd met voorafgaande aansluitende
periodes van terbeschikkingstelling van enige bestelauto door de ondernemer aan
dezelfde persoon.
2. Indien een ondernemer
een bestelauto waarvoor op de voet van artikel 13a, eerste lid, van de wet
vrijstelling van belasting is verleend ter beschikking stelt aan een derde,
neemt hij in zijn administratie de volgende gegevens en bescheiden op:
a. de naam, het adres en een kopie van het
legitimatiebewijs van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt
gesteld; en
b. een kopie van het contract tussen de
ondernemer en degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, waaruit
het kenteken van de bestelauto en de periode van terbeschikkingstelling blijkt.
3. Ingeval de in het
tweede lid bedoelde ondernemer de bestelauto langer dan de in het eerste lid
bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde die voldoet aan het
gestelde in artikel 13a, tweede lid, van de wet, verstrekt degene aan wie de
bestelauto ter beschikking wordt gesteld aan de ondernemer een verklaring:
a. dat hij ondernemer is als bedoeld in artikel
7 van de Wet op de omzetbelasting 1968;
b. dat het geen ondernemerschap betreft als
bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968;
c. dat de bestelauto meer dan bijkomstig in zijn
onderneming zal worden gebruikt; en
d. dat hij bij een wijziging in deze
omstandigheden onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter
beschikking stelt zal informeren en de verklaring zal intrekken.
4. De ondernemer die een
bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking
stelt aan een derde als bedoeld in het derde lid, neemt in zijn administratie
naast de in het tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden de volgende gegevens
en bescheiden op:
a. het BTW-identificatienummer
van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, en een afdruk
van de verificatie van dit nummer uit het Europese datasysteem van BTW-identificatienummers; en
b. de in het derde lid bedoelde verklaring van
degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld.
5. Indien de in het
derde lid bedoelde verklaring niet langer juist is, brengt degene aan wie de
bestelauto ter beschikking wordt gesteld onmiddellijk de ondernemer die de
bestelauto aan hem ter beschikking stelt daarvan op de hoogte, onder intrekking
van de eerder afgegeven verklaring.
Artikel 8d
1. De vermindering van
het belastingbedrag, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de wet, is de som
van de percentages die ingevolge de navolgende tabel van toepassing zijn voor
elke maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken tussen het tijdstip waarop
de belasting verschuldigd is geworden en het tijdstip waarop de omstandigheid,
bedoeld in artikel 14a, eerste of tweede lid, van de wet, zich voordoet,
toegepast op het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid,
van de wet, na toepassing van artikel 9a, artikel 9b en artikel 9c, tweede lid,
van de wet. Indien bij aanvang van een maand een tijdsduur is verstreken sinds
het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen van
|
ten minste |
maar minder dan |
is het percentage
voor die maand |
|
0 dagen |
1 maand |
5 |
|
1 maand |
3 maanden |
3 |
|
3 maanden |
5 maanden |
2,5 |
|
5 maanden |
9 maanden |
2,25 |
|
9 maanden |
1 jaar en 6 maanden |
1,444 |
|
1 jaar en 6 maanden |
2 jaar en 6 maanden |
0,917 |
|
2 jaar en 6 maanden |
3 jaar en 6 maanden |
0,833 |
|
3 jaar en 6 maanden |
4 jaar en 6 maanden |
0,75 |
|
4 jaar en 6 maanden |
5 jaar en 6 maanden |
0,5 |
|
5 jaar en 6 maanden |
6 jaar en 6 maanden |
0,416 |
|
6 jaar en 6 maanden |
7 jaar en 6 maanden |
0,416 |
|
7 jaar en 6 maanden |
8 jaar en 6 maanden |
0,333 |
|
8 jaar en 6 maanden |
9 jaar en 6 maanden |
0,333 |
|
9 jaar en 6 maanden |
|
0,083 |
2. Indien sinds het
tijdstip waarop de belasting verschuldigd is geworden minder dan drie maanden
zijn verstreken, wordt de vermindering voor een nog niet verstreken maand in
afwijking van het eerste lid naar tijdsgelang per dag berekend, waarbij de
vermindering per dag wordt gesteld op een dertigste deel van de vermindering
voor die maand ingevolge de tabel.
3. De vermindering van
het belastingbedrag, bedoeld in artikel 15a, zevende lid, en artikel 16, vijfde
lid, van de wet, is een percentage van het belastingbedrag, zoals aangegeven in
de tabel opgenomen in artikel 8, zesde lid.
4. Indien de belasting
voor een gebruikt motorrijtuig is geheven met toepassing van een andere
vermindering dan de vermindering zoals deze voor motorrijtuigen van die
leeftijd voortvloeit uit de tabel opgenomen in artikel 8, zesde lid, wordt de
teruggaaf aangepast. Voor de berekening van de teruggaaf wordt daartoe de som
van de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk het
percentage, bedoeld in het derde lid, toegepast op het resultaat van de
volgende formule:
(geheven
belasting × 100) / (100 – tabelpercentage)
Daarbij
is geheven belasting de belasting die voor dat motorrijtuig met toepassing van
die andere vermindering is geheven, en tabelpercentage het percentage dat van
toepassing zou zijn geweest indien de belasting zou zijn geheven met toepassing
van de vermindering ingevolge de tabel in artikel 8, zesde lid.
5. Indien degene die om
teruggaaf van belasting verzoekt op grond van artikel 14a, eerste of tweede
lid, van de wet, ondernemer is als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de
omzetbelasting 1968, niet zijnde een ondernemer als bedoeld in artikel 7, zesde
lid, van die wet, kan de inspecteur goedkeuren dat bij het verzoek de
overlegging van de bescheiden, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel c,
onderscheidenlijk artikel 4b, eerste lid, onderdeel c, van het
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992,
achterwege blijft, onder de voorwaarde dat de ondernemer deze bescheiden
bewaart in zijn administratie.
6. Bij een verzoek om
teruggaaf van belasting op grond van artikel 14a, tweede lid, van de wet, wordt
een kopie van het buitenlandse kentekenbewijs gevoegd.
Artikel 8da
1. Bij een verkorting of
verlenging van de overeengekomen huurperiode als bedoeld in artikel 14b, tweede
lid, van de wet, worden, in geval van een verkorting, bij het verzoek om
teruggaaf, dan wel, in geval van een verlenging, bij de voldoening op aangifte,
alle met betrekking tot het motorrijtuig afgesloten huurovereenkomsten met de
ondernemer, bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van de wet, overgelegd, alsmede
aanvullende gegevens voor zover deze naar het oordeel van de inspecteur
noodzakelijk zijn om de voor het motorrijtuig overeengekomen wijziging van de
totale huurperiode eenvoudig vast te kunnen stellen. Van overeenkomsten of
aanvullende gegevens die niet zijn opgemaakt in de Nederlandse of de Engelse
taal, wordt een vertaling in één van deze talen bijgevoegd.
2. In het verzoek, dan
wel bij de aangifte, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de huurder van het
motorrijtuig de nieuwe in totaal met de verhuurder overeengekomen huurperiode,
en verklaart daarbij dat overigens geen andere afspraken zijn gemaakt met de
verhuurder van het motorrijtuig over de periode waarin het motorrijtuig tot
zijn beschikking zal staan.
Artikel 8e
1. Onder een
niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing van artikel 15a van de wet
mede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van
een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening
houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het
gebruik van een bestelauto.
2. Onder een bestelauto,
ingericht voor het vervoer als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de wet,
wordt verstaan een bestelauto die voorzieningen bevat ten behoeve van het
vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander
hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de
gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel of een
ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de bestelauto, voor het
vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel in de cabine op de plaats
van een zitplaats, en voor het vastzetten van een rolstoel of een ander
hulpmiddel zonder passagier in de laadruimte.
Artikel 9
1. De zekerheid bedoeld
in artikel 17, eerste lid, van de wet wordt bepaald aan de hand van het bedrag
van de belasting dat degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van de wet is verleend gemiddeld per aangiftetijdvak verschuldigd
is ter zake van de registratie van de motorrijtuigen waarvoor door hem
kentekens zijn aangevraagd.
2. De zekerheid bedraagt
ten hoogste 100 percent van het in het eerste lid bedoelde bedrag met een
maximum van € 9 000 000.
3. Het bedrag van de
zekerheid kan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden
gewijzigd.
4. Degene aan wie de
toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend kan
een verzoek tot verlaging van de zekerheid indienen bij de inspecteur, die
daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 13
1. Deze regeling treedt
in werking met ingang van 1 januari 1993.
2. Deze regeling kan
worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en
motorrijwielen 1992.
De Staatssecretaris
van Financiën,
M. J. J. van Amelsvoort