Belastingdienst/Centrum
voor proces- en productontwikkeling, Keten aangiftebelastingen, team Auto
Besluit van 10 april
2006, nr. CPP2006/788M, Stcrt. nr. 75
De staatssecretaris
van Financiën het volgende besloten.
Aanleiding
Dit besluit dient ter
vervanging van besluit DGB2003/6752M, welk besluit de mogelijkheid opende tot
tegenbewijs. Dit hangt samen met een wijziging in de werkwijze van de Dienst
Wegverkeer (RDW). Vanaf 1 januari 2006 verricht de RDW niet meer in alle
gevallen een keuring voorafgaand aan de registratie van een gebruikt
motorrijtuig. Dit heeft tot het onbedoelde gevolg geleid dat de mogelijkheid
tot tegenbewijs ook wordt ingeroepen bij de aangifte ter zake van de
registratie van een voertuig dat niet in rijwaardige staat verkeert,
bijvoorbeeld omdat het ernstig is beschadigd of volledig is gestript voordat
het naar Nederland werd gebracht. Voor dergelijke voertuigen is de
tegenbewijsregeling uiteraard nooit bedoeld. Volledigheidshalve wordt daarom
het besluit aangevuld met een expliciete passage over dergelijke situaties.
Daarnaast is de tekst van het besluit aangepast aan de wetswijziging van 1 juli
2005 (het in de heffing betrekken van bestelauto’s).
Inleiding
Op grond van artikel 10, tweede
lid, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm)
wordt voor gebruikte personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s een
forfaitaire vermindering toegepast voor de berekening van de verschuldigde
belasting. De hoogte van de vermindering is afhankelijk van de tijdsduur die is
verstreken nadat het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.
Ontwikkelingen in de
jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie hebben mij evenwel aanleiding
gegeven om onder voorwaarden af te wijken van de forfaitaire vermindering, in
de situatie dat blijkt dat deze forfaitaire vermindering verschilt van de
werkelijke afschrijving van het voertuig in vergelijking met voertuigen die al
in Nederland geregistreerd zijn, uitgaande van vergelijkbare voertuigen.
Wetgeving op dit punt is op 28 maart 2006 door de Eerste Kamer der
Staten-Generaal aanvaard en zal op een bij Koninklijk Besluit te bepalen
tijdstip in werking treden.
Goedkeuring
Totdat deze mogelijkheid in
de wet is opgenomen keur ik onder de hierna opgenomen voorwaarden en
beperkingen goed, dat indien bij eerste registratie in Nederland van een in het
buitenland geregistreerd gebruikt motorrijtuig blijkt, dat het werkelijke
afschrijvingspercentage hoger is dan het percentage volgens de tabel van
artikel 10, tweede lid, Wet bpm, dit hogere afschrijvingspercentage wordt
gebruikt om het verschuldigde bpm-bedrag te bepalen. Daartoe worden eerst op de
gebruikelijke wijze de catalogusprijs en het bruto bpm-bedrag bepaald.
Vervolgens wordt de feitelijke waarde van het gebruikte motorrijtuig
vastgesteld, waarna het verschil tussen de historische nieuwprijs
(consumentenprijs) in Nederland en de gebleken feitelijke waarde wordt
uitgedrukt in een percentage van die historische nieuwprijs, zijnde het werkelijke
afschrijvingspercentage. Dit percentage kan vervolgens worden toegepast bij het
bepalen van de verschuldigde bpm in plaats van het percentage volgens de tabel
van artikel 10, tweede lid, Wet bpm (hierna: de tabel).
Voorwaarden en
beperkingen
Voorwaarde voor toepassing
van deze goedkeuring is, dat de aangever op het aangifteformulier een beroep
doet op deze goedkeuring.
Daarnaast moet de aangever
het motorrijtuig op verzoek van de inspecteur beschikbaar houden voor een
nadere controle, hertaxatie en/of APK-keuring.
Bij de aangifte moet de
aangever aantonen in hoeverre de afschrijving voor zijn motorrijtuig afwijkt
van de vermindering volgens de tabel. De aangever kan dit doen aan de hand van
a. een in de branche algemeen
gebruikelijke koerslijst zoals die wordt gehanteerd voor de verkoop aan
particulieren in Nederland; of
b. een recent taxatierapport van een
onafhankelijke deskundige dat is toegesneden op de waarde bij verkoop aan
particulieren in Nederland.
Ad a. In de branche
gebruikelijke koerslijsten
Voor de verkoop van
gebruikte motorrijtuigen wordt in de autohandel in Nederland gebruik gemaakt
van koerslijsten waarop onder meer de waarde bij verkoop aan particulieren
wordt aangegeven. Uitgaande van een gemiddeld gebruik kan aan de hand van een dergelijke
in de branche gebruikelijke koerslijst de waarde worden bepaald. Wordt in de
koerslijst aangegeven hoe de waarde wordt beïnvloed bij een van het gemiddelde
afwijkende kilometerstand, dan wordt daarmee in voorkomende gevallen rekening
gehouden voor het bepalen van de waarde.
Uitgangspunt is dat alleen
de meest recente koerslijsten kunnen worden gebruikt. Wanneer echter een
motorrijtuig van een bepaald type en bepaalde leeftijd in geen van die
koerslijsten is opgenomen, kan eventueel ook een minder recente koerslijst
worden gebruikt als basis voor herrekening tot de juiste afschrijving op dit
moment. De inspecteur kan daarbij aanvullende bewijsmiddelen vragen.
Koerslijsten die in het buitenland zijn vastgesteld voor de situatie aldaar,
kunnen geen basis vormen voor het bepalen van het afschrijvingspercentage in
Nederland.
Wordt voor het bepalen van
de waarde van het motorrijtuig gebruik gemaakt van een in de branche
gebruikelijke koerslijst, dan dient voor de berekening van het werkelijke
afschrijvingspercentage de historische nieuwprijs te worden ontleend aan deze
zelfde koerslijst.
Ad b. Taxatierapport
Een taxatierapport moet
afkomstig zijn van een onafhankelijke, erkende taxateur, die geen onderdeel
uitmaakt van, en evenmin direct of indirect verbonden is aan, een bedrijf dat
handelt in gebruikte motorrijtuigen. Het rapport dient een volledige,
gespecificeerde beschrijving en beoordeling te bevatten van het motorrijtuig en
van de technische staat daarvan. De in het taxatierapport opgegeven waarde dient
gerelateerd te zijn aan de waarde bij verkoop aan particulieren in Nederland,
rekening houdend met eventuele accessoires.
Het rapport dient de waarde
aan te geven op het moment van de aangifte. Wanneer het rapport niet ouder is
dan een maand en er geen aanwijzingen zijn dat er sindsdien veranderingen zijn
opgetreden in de waarde van het motorrijtuig, mag worden aangenomen dat aan
deze voorwaarde wordt voldaan.
Wanneer de inspecteur
twijfelt aan de opgegeven waarde kan hij de aangever om aanvullend bewijs
verzoeken. Indien het aanvullende bewijs naar het oordeel van de inspecteur
niet of onvoldoende wordt gegeven, kan de inspecteur een hertaxatie laten
instellen.
Wordt voor het bepalen van
de waarde van het motorrijtuig gebruik gemaakt van een taxatierapport, dan
dient voor de berekening van het werkelijke afschrijvingspercentage de
historische nieuwprijs opgebouwd te worden aan de hand van de catalogusprijs
(inclusief eventuele accessoires) en het bruto bpm-bedrag.
Ter vermijding van ieder
misverstand merk ik nog op, dat uiteraard geen beroep op deze goedkeuring kan
worden gedaan als het gaat om een motorrijtuig dat verkeert in een zodanige
staat, dat het volgens de wegenverkeerswetgeving niet aan het verkeer mag
deelnemen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een motorrijtuig op essentiële
punten niet voldoet aan de voorwaarden van de zogenoemde APK-keuring hetgeen
kan blijken uit het taxatierapport. Wanneer bij de beoordeling van een aangifte
BPM met beroep op tegenbewijs twijfel ontstaat over de al dan niet rijwaardige
staat waarin het voertuig zich bevindt, kan de inspecteur het voertuig APK
laten keuren. Als uit deze keuring blijkt dat het voertuig op essentiële
onderdelen niet voldoet aan de vereisten in de wegenverkeerswetgeving, zal het
beroep op tegenbewijs worden afgewezen.
Wanneer eenmaal is gekozen
voor toepassing van deze goedkeuring en de belastingdienst akkoord is gegaan
met een afschrijving die afwijkt van de afschrijving zoals vermeld in de tabel,
kan de aangever uitsluitend nog op deze keuze teruggekomen via bezwaar tegen de
eigen aangifte, binnen de daarvoor gestelde termijn.
Bij toepassing van deze
goedkeuring wordt op het kentekenbewijs in plaats van het bruto bpm-bedrag een
herrekend (lager) bruto bpm-bedrag vermeld. Teneinde een juiste bpm-heffing te
garanderen wordt dit herrekende bruto bpm-bedrag voor gebruikte motorrijtuigen
die met tegenbewijs in de bpm-heffing zijn betrokken in de plaats gesteld van
het bruto bpm-bedrag zoals dat geldt voor vergelijkbare motorrijtuigen die al
in Nederland zijn geregistreerd. Bij eventuele latere situaties waarbij de
afschrijving van belang is (bijvoorbeeld bij toepassing van artikel 15 of 16
van de Wet bpm) kan de tabel dan normaal worden toegepast op het vermelde
(herrekende) bruto bpm-bedrag. Hiermee wordt voorkomen dat in dergelijke
situaties verschillende procedures moeten worden gevolgd afhankelijk van de
vraag of het voertuig destijds al dan niet via tegenbewijs in de bpm-heffing
werd betrokken.
De inspecteur stelt het
herrekende bruto bpm-bedrag vast door vanuit het (via tegenbewijs vastgestelde)
netto verschuldigde bpm-bedrag terug te rekenen naar een fictief (lager) bruto
bpm-bedrag, met toepassing van de tabel. Oftewel:
Herrekend bruto bpm-bedrag =
netto verschuldigd
bpm-bedrag x 100
___________________________________________
100 -
afschrijvingspercentage tabel art. 20.1 Wet bpm
Een rekenvoorbeeld:
Bruto bpm-bedrag: €
10.000
Leeftijd motorrijtuig
sinds eerste ingebruikneming: 3 jaar en 6 maanden
Vermindering volgens
tabel: 57%
Verschuldigde bpm volgens
tabel: € 4.300
Werkelijk
afschrijvingspercentage volgens tegenbewijs: 62%
Netto verschuldigd
bpm-bedrag: € 3.800
Herrekend bruto bpm-bedrag
|
€ 3.800 x 100 |
|
100 |
|
|
───────── |
= € 3.800 x |
─── |
= € 8.838 |
|
100 – 57 |
|
43 |
|
Anders gezegd: wanneer
zonder toepassing van tegenbewijs, dus bij normale toepassing van de tabel,
voor een gebruikte auto van 3 jaar en zes maanden het netto verschuldigde
bpm-bedrag zou uitkomen op € 3.800, is het bijbehorende bruto bpm-bedrag €
8.838. Voor de tegenbewijssituatie wordt nu € 8.838 op het kentekenbewijs
vermeld in plaats van € 10.000.
Volledigheidshalve merk ik
op dat op deze goedkeuring geen beroep kan worden gedaan in de situatie dat
geen aangifte is gedaan, bijvoorbeeld wanneer de inspecteur een
naheffingsaanslag oplegt naar aanleiding van een ingestelde controle.
Vergunninghouders
artikel 8 Wet bpm
Voor ondernemers die in het
bezit zijn van een vergunning op grond van artikel 8 Wet bpm kan het voorgaande
niet zonder meer worden toegepast binnen de voor deze categorie geldende
aangifteprocedure, omdat het moment waarop het bruto bpm-bedrag wordt
vastgesteld niet samenvalt met het moment waarop de aangifte wordt gedaan. Om
ook in die situatie de gelegenheid tot tegenbewijs te bieden keur ik goed, dat
het voorgaande overeenkomstig wordt toegepast bij de voor vergunninghouders
geldende aangifteprocedure. Daarbij dient de vergunninghouder zijn keuze voor
toepassing van deze regeling aan te geven op het formulier aan de hand waarvan
de inspecteur het bruto bpm-bedrag vaststelt. Na akkoordbevinding wordt het
herrekende bruto bpm-bedrag vastgesteld zoals aangegeven onder
"Voorwaarden en beperkingen", met toepassing van het op dat moment
geldende afschrijvingspercentage volgens de tabel. De vergunninghouder dient
vervolgens in de uiteindelijke aangifte dit (lagere) herrekende bruto bpm-bedrag op te nemen
in plaats van het oorspronkelijke bruto bpm-bedrag, alsmede het volgens de
tabel verschuldigde (lagere) bpm-bedrag. De verschuldigde belasting wordt in
deze situatie dus berekend door het herrekende bruto bpm-bedrag te verminderen
met het percentage volgens de tabel, zoals dat geldt op het moment van eerste
registratie in Nederland.
Maakt een vergunninghouder
bij de aangifte bpm voor een bepaald motorrijtuig geen gebruik van zijn vergunning,
dan geldt de procedure zoals aangegeven onder "Voorwaarden en
beperkingen".
Ingetrokken regeling
en inwerkingtreding
Dit besluit vervangt het
besluit van 3 december 2003, nr. DGB2003/6752M (Stcrt. 238). Het treedt in werking met ingang van de tweede
dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het
besluit.
Den Haag, 10 april 2006,
de staatssecretaris van
Financiën,
namens deze
mr. J. Thunnissen,
directeur-generaal
Belastingdienst