BPM-afschrijving op invoeroccasions ongeldig 19-10-2001
De Leeuwarder rechter heeft bepaald dat de BPM-heffing
die tot 1 mei ’99 werd toegepast op ingevoerde occasions niet rechtsgeldig was.
Daarmee zet hij ook de huidige systematiek op de helling.
Bij invoer van occasions is BPM
verschuldigd. Deze wordt berekend op basis van de fictief vastgestelde waarde
van het voertuig op het moment van invoer. Sinds 1 mei 1999 wordt hiervoor een
getrapte afschrijvingsmethode gebruikt, maar daarvoor schreef men simpelweg 1%
per maand af. Dat nu was niet rechtsgeldig, heeft het Gerechtshof in Leeuwarden
op 28 september jl. beslist naar aanleiding van een door een lid van de BOVIA
(Belangen Organisatie voor Internationale Automobielhandel) aangespannen
rechtszaak. Volgens de rechter is de tabelafschrijving van 1% per maand niet in
overeenstemming met het Europese gemeenschapsrecht, en om die reden had er in
het geheel geen BPM op uit andere EU-landen ingevoerde occasions mogen worden
geheven. Hij voerde hiervoor twee redenen aan:
- de BPM na afschrijving kan hoger zijn dan
de BPM die nog rust op vergelijkbare auto’s die al in Nederland rondrijden, en
- de invoerende partij heeft niet de
mogelijkheid om bezwaar te maken tegen toepassing van de afschrijvingstabel,
terwijl dit volgens het EU-recht wel moet.
De beslissing zal door de Belastingdienst
ongetwijfeld aan de Hoge Raad worden voorgelegd en is dus nog niet definitief.
Maar het is onwaarschijnlijk dat de Hoge Raad anders kan beslissen.
De uitspraak van de Leeuwarder rechter is
daarom zo interessant, omdat diens argumenten ook van toepassing zijn op de
huidige situatie. Wie de huidige regeling wil aanpakken en naar de rechter
stapt, heeft volgens mij een goede kans van slagen. Nederland zou er dan ook
verstandig aan doen de huidige afschrijvingssystematiek aan te passen.
Ik raad importeurs van occasions uit andere
EU-landen in ieder geval aan pro forma bezwaar te maken tegen de BPM-afdracht.
Zij kunnen ook nog bezwaren indienen als het gaat om al ingevoerde occasions,
tot uiterlijk zes weken na de aangifte of aanslag BPM.
Deze bijdrage is geschreven door dr. mr. Ton van der Woude, specialist
Europees belastingrecht, verbonden aan BDO Walgemoed CampsObers, Rotterdam