AANTONEN NULTARIEF BIJ AFHAALTRANSACTIES

Enige jaren geleden heeft de belastingdienst een regeling getroffen, die een oplossing biedt voor fiscale problemen van het bedrijfsleven bij transacties binnen de Europese Gemeenschap. Deze problemen richten zich op het verzamelen van de bewijsstukken voor toepassing van het BTW-nultarief bij levering van goederen binnen de Europese Gemeenschap. Het gaat dus niet om goederen die naar derde landen, dus naar buiten de EG, gaan. Voor de autobranche gaat het verder om goederen die aan het normale BTW-systeem zijn onderworpen, dus niet om marge-auto's. Bij verkoop van marge-auto's door een Nederlandse handelaar is altijd Nederlandse BTW verschuldigd over de marge.

De regeling geeft aan hoe de leverancier kan voldoen aan de bewijslast. Hiertoe is een tweetal zorgvuldigheidseisen in de regeling opgenomen, namelijk:

  1. de leverancier dient voorafgaand aan de levering na te gaan of de afnemer in de andere lid-staat een BTW-nummer heeft en
  2. de leverancier dient alle papieren die aantonen dat het gaat om een levering naar het grondgebied van een andere lid-staat te bewaren (bijvoorbeeld vanuit de andere lid-staat een schriftelijke bestelling, orderbevestiging, ontvangstbevestiging, factuur of betaling, een verzekeringspolis, een exportvergunning, douanedocumenten).

Het BTW-nummer van de buitenlandse afnemer kan worden gecontroleerd bij de belastingdienst te Deventer (telefoon 0570-683400). De belastingdienst geeft altijd een schriftelijke bevestiging.

Voor goederen die door de buitenlandse afnemer worden opgehaald bij de leverancier (de zogenoemde afhaaltransacties) is een schriftelijke verklaring getekend bij de levering voldoende om aan de tweede zorgvuldigheidseis te voldoen, indien het gaat om een betrouwbare, vaste afnemer en de leverancier niet kan beschikken over andere bewijsstukken. Bij de regeling is een model voor een dergelijke verklaring opgenomen als bijlage.

Uit recente jurisprudentie blijkt dat ook de zogenaamde matching kan bijdragen aan de bewijslevering dat het nultarief wegens intra-communautaire levering terecht is toegepast. Deze matching is het vergelijken van de door de leverancier in of na zijn BTW-aangiften verstrekte gegevens met de door de afnemer in zijn BTW-aangiften vermelde gegevens. De wederzijdse gegevens van alle transacties binnen de EG worden in een grote computer gestopt en moeten natuurlijk met elkaar kloppen, afgezien van valutaverschillen, overlopende tijdvakken en dergelijke. De uitkomsten van de matching zijn bij een ondernemer niet bekend, maar (soms) wel bij de fiscus. Gebleken is echter wel dat de fiscus de uitkomst van de matching niet actief behoeft op te vragen.

Een leverancier die goederen naar een andere lid-staat uitvoert moet dus altijd heel zorgvuldig zijn met de stukken die kunnen bewijzen dat terecht voor de BTW het nultarief is toegepast. Bij afgehaalde goederen komt een lastig bewijsprobleem, omdat de leverancier na aflevering niet meer kan volgen wat er met het door hem geleverde goed gebeurt. Gaat het goed echt naar het buitenland of wordt het in Nederland verkocht? De oplossing die daarvoor is gekozen komt er op neer dat de eerste keer dat een buitenlandse ondernemer goederen in Nederland komt afhalen bij een bepaalde leverancier, deze leverancier altijd BTW in rekening moet brengen. Bij de daarna volgende leveringen kan hij bij dezelfde afnemer volstaan met het laten invullen van de voorgeschreven afhaalverklaring door de koper of diens vertegenwoordiger (bijvoorbeeld een personeelslid). De leverancier doet er goed aan er op toe te zien dat de afhaalverklaring volledig en juist wordt ingevuld. Dat voorkomt een boel narigheid bij een boekenonderzoek door de fiscus. Als de door regelmatige afnemers correct ingevulde afhaalverklaring aanwezig is bij dat boekenonderzoek behoeft niet gevreesd te worden dat de fiscus bij de goederen waarop de afhaalverklaring betrekking heeft, zal stellen dat het bewijs van uitvoer niet is geleverd, zodat het nultarief niet van toepassing is.

Een uitzondering geldt voor het geval dat de leverende autohandelaar weet dat bij de betrokken afnemer eerder problemen zijn geweest bij het aantonen van intra-communautaire transacties. Dan mag de vervoerverklaring niet worden gebruikt.

De afhaalverklaring mag alleen bij regelmatige afnemers worden gebruikt en voorafgaand aan de levering moeten zijn opgemaakt. Als er geen sprake is van een regelmatige afnemer dient de leverancier BTW in rekening te brengen, die de afnemer bij de belastingdienst in Heerlen kan terugvragen. De afnemer krijgt dan echter ook te maken met de zogenaamde fictieve intra-communautaire transactie. In plaats van de leverancier wordt nu van de afnemer het bewijs gevraagd dat het betrokken goed naar een andere lid-staat van de EG is overgebracht.

Als een autohandelaar aan een hem onbekende afnemer met een buitenlands BTW-nummer een auto wil verkopen, is het misschien handig om aan de afnemer te vragen of hij regelmatig zaken in Nederland doet. De levering kan wellicht via VWE kan worden geleid. De handelaar dient dan een nota met BTW aan VWE te sturen, tenzij sprake is van een marge-auto. De afnemer kan dan een vervoerverklaring tekenen met als leverancier VWE. Vaak zal VWE immers toch al bij de transactie betrokken zijn vanwege het inleveren van het kentekenbewijs, het aanvragen van het exportkenteken en dergelijke.

De tekst van de getroffen regeling is als volgt:

1. Inleiding

In het antwoord op de vragen van de Kamerleden De Vries en Van Rey over het nieuwe BTW-systeem binnen de EG (TK, 1994-1995, Aanhangsel, nr. 268), is met betrekking tot de toepasselijkheid van het nultarief bij intracommunautaire leveringen uiteengezet welke voorwaarden ter zake voor de ondernemer gelden. Ook is daarbij aangegeven dat het nultarief toepasbaar is bij afhaaltransacties, dat wil zeggen transacties waarbij een (buitenlandse) koper in Nederland goederen koop ,,af-fabriek'' en die goederen zelf meeneemt. Hoewel de ondernemer in die gevallen niet over vervoersdocumenten beschikt, zal hij, indien hij met de afhaler geregelde handelsbetrekkingen onderhoudt, aan de hand van de bescheiden die betrekking hebben op deze handelsrelatie toch voldoende bewijs kunnen vergaren om het recht op het nultarief aan te tonen. Het laatste zal problematisch zijn indien de ondernemer met de afhaler geen geregelde handelsbetrekkingen onderhoudt en er bovendien contant wordt betaald. Geconcludeerd werd, dat in die gevallen de ondernemer mogelijk geen enkel bewijs omtrent de bestemming van de goederen heeft.

In het verslag van de Europese Commissie over de werking van de BTW-overgangsregeling voor intracommunautaire transacties van 23 november 1994, nr. COM(94) 515 constateert de Commissie dat bedrijven bepaalde moeilijkheden ondervinden bij het verzamelen van de bewijsstukken om aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van een intracommunautaire levering van goederen (alinea 93). In bepaalde omstandigheden wordt vaak door de leveranciers de vrees uitgedrukt dat naar aanleiding van een BTW-controle hun verantwoordelijkheid in vraag kan worden gesteld en de door hen verleende vrijstelling zou worden verworpen (alinea 95). Sommige verkopers weigeren hun leveringen vrij te stellen wanneer het vervoer door de koper zelf wordt verricht. De koper heeft dan geen andere mogelijkheid meer dan zich voor BTW-doeleinden in die Lid-Staat te laten identificeren (alinea 96).

Naar aanleiding van het overleg met de vaste Commissie voor Financiën van 1 februari 1995 over de afschaffing van de fiscale grenzen (TK 1994-1995, 23 638, nr. 6), is bij brief van 29 maart 1995, nr. WV 95/165, aangegeven dat als de leverancier niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij bij de toepassing van het nultarief onzorgvuldig heeft gehandeld, hij fiscaal niet aansprakelijk zal kunnen worden gesteld voor de gevolgen van ,,fictieve'' leveringen. In dit verband worden met fictieve leveringen bedoeld leveringen waarbij de afnemer het BTW-nummer van een ander misbruikt.

Bij verschillende gelegenheden is aangegeven dat met het bedrijfsleven wordt bezien of het mogelijk is nadere richtlijnen op te stellen met betrekking tot het aantonen van het recht op de toepassing van het nultarief bij intracommunautaire transacties.

In verband met het vorenstaande stel ik, zulks na overleg zowel met het bedrijfsleven als met de Belastingdienst, omtrent de toepasselijkheid van het nultarief bij intracommunautaire leveringen de navolgende gedragslijn vast.

2. Juridisch kader

Artikel 28 quater A, onderdeel a, van de Zesde Richtlijn inzake omzetbelasting bepaalt dat, onverminderd andere communautaire bepalingen, de Lid-Staten, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling verlenen voor leveringen aan andere belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen in een andere Lid-Staat van goederen die door de verkoper of door de afnemer of voor hun rekening naar een andere Lid-Staat worden verzonden of vervoerd.

Ondernemers die dergelijke vrijgestelde leveringen verrichten moeten ingevolge artikel 22, lid 3, onderdeel b, van de Zesde Richtlijn het BTW-identificatienummer van de afnemer op de factuur vermelden en ingevolge artikel 22, lid 6, onderdeel b, van de Zesde Richtlijn de transactie opnemen in een lijst.

De in artikel 28 quater A, onderdeel a, van de Zesde Richtlijn vervatte vrijstelling is in Nederland neergelegd in post a 6 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel II. Op grond van deze tabelpost gelezen in samenhang met artikel 9, lid 2, onderdeel b, van de wet is, mits aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden is voldaan, het nultarief van toepassing met betrekking tot de levering van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen. Post a 6 brengt daarmee tot uitdrukking dat een levering onderworpen is aan het nultarief als de daarop volgende intracommunautaire verwerving in een andere Lid-Staat belastbaar is; voor de toepassing van de post is derhalve niet vereist dat de intracommunautaire verwerving in een andere Lid-Staat feitelijk belast wordt.

Ingevolge artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 dient de leverancier de aanspraak op toepassing van het nultarief ter zake van intracommunautaire leveringen aan te tonen aan de hand van boeken en bescheiden, waarbij voor de levering van motorrijtuigen waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, op grond van artikel 12, lid 2, onderdeel e, van het Besluit in ieder geval is vereist dat dit kentekenbewijs is ingeleverd; deze specifiek voor motorrijtuigen geldende voorwaarde voor toepassing van het nultarief blijft hierna buiten beschouwing.

Ingevolge artikel 35, lid 1, onderdeel f, van de wet moet bij toepassing van post a 6 van Tabel II het BTW-identificatienummer van de afnemer op de factuur worden vermeld. Artikel 37a van de wet regelt de verplichting tot indiening van een lijst.

3. Zorgvuldigheid

Uitgaande van het hiervoor geschetste juridische kader zullen Nederlandse leveranciers, die goederen leveren aan afnemers in andere Lid-Staten voor de toepassing van het nultarief moeten nagaan of die levering voldoet aan de juridische kenmerken van een intracommunautaire levering, dat wil zeggen:

a. dat de afnemer een ondernemer is of een rechtspersoon, andere dan een ondernemer, die in een andere Lid-Staat geïdentificeerd is, en

b. dat de goederen in het kader van de levering zullen worden verzonden of vervoerd naar het grondgebied van een andere Lid-Staat.

Beide elementen hebben een absoluut karakter en dienen door de leverancier aan de hand van boeken en bescheiden te worden aangetoond. Gezien het bijzondere kader waarin intracommunautaire leveringen plaatsvinden, namelijk binnen de Europese Unie, waar de fiscale controles aan de binnengrenzen zijn opgeheven, zal hierbij nochtans op evenwichtige wijze rekening moeten worden gehouden met enerzijds het recht dat een leverancier heeft om op leveringen aan ondernemers of niet-belastingplichtige rechtspersonen die in een andere Lid-Staat zijn geïdentificeerd het nultarief toe te passen en anderzijds de vereisten voor een deugdelijke controle daarop. Dit leidt er naar mijn oordeel toe, dat de leverancier aan vorenbedoelde bewijslast heeft voldaan, indien hij aantoont ter zake zorgvuldig, zie hierna, te hebben gehandeld.

De door de leverancier in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij met betrekking tot het onder a genoemde element nagaat of de afnemer in een andere Lid-Staat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, hetgeen in ieder geval moet blijken uit het door de afnemer op te geven BTW-identificatienummer, dat hem in een andere Lid-Staat is toegekend. In gevallen waarin de leverancier twijfel heeft of redelijkerwijs zou moeten hebben omtrent de juistheid van het door de afnemer opgegeven BTW-identificatienummer, zal hij het nummer bij de Belastingdienst moeten verifiëren.

Met betrekking tot het onder b genoemde element brengt de verlangde zorgvuldigheid mee dat de leverancier, binnen het kader van de mogelijkheden die zijn commerciële bedrijfsvoering daartoe biedt, alle commerciële bescheiden die het intracommunautaire karakter van de levering ondersteunen, bewaart en op verzoek van de Belastingdienst overlegt, en dat hij bij het nemen van de beslissing over toepassing van het nultarief nagaat of de aard van de beschikbare bewijsstukken deze handelwijze rechtvaardigt. Bij deze beslissing zal ook de aard van de goederen een rol spelen. De leverancier dient erop bedacht te zijn dat bij goederen die geschikt zijn voor consumptief gebruik door particulieren de zorgvuldigheid steeds expliciet aan de orde zal worden gesteld. Hoewel de leverancier de beslissing over het toe te passen tarief in de praktijk uiterlijk zal moeten nemen op het tijdstip van de levering, kan hij bij het nemen van die beslissing rekening houden met bescheiden die hij naderhand zal ontvangen.

4. Verzending of vervoer van goederen naar een andere Lid-Staat

4.1. Algemeen

In het kader van de heffing van omzetbelasting bepaalt artikel 34 van de Wet onder meer dat de ondernemer gehouden is aantekening te houden van de door hem verrichte leveringen. Deze verplichting is nader uitgewerkt in artikel 31 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel 31 van de Beschikking verplicht de ondernemer onder meer regelmatig aantekening te houden van de door hem uitgereikte facturen, met de in het tweede lid van dat artikel vermelde bijzonderheden, en van de ontvangsten ter zake van door hem verrichte leveringen. Deze, slechts op onderdelen gedetailleerde, voorschriften stellen de ondernemers, ook degene die intracommunautaire transacties verrichten, in staat de inrichting van hun administratie af te stemmen op de mogelijkheden die hun bedrijfsvoering daartoe biedt. Daarnaast zal de administratie van ondernemers die zich richten op goederentransacties met afnemers in andere Lid-Staten, afgezien van bescheiden die betrekking hebben op individuele leveringen, ook aanwijzingen in algemene zin bevatten waaruit blijkt dat die ondernemers zich richten op buitenlandse markten, zoals op buitenlandse afnemers gerichte catalogi, advertenties in buitenlandse bladen en andere op buitenlandse afnemers gerichte promotieactiviteiten, correspondentie, enz.

Uitgangspunt bij de verzending of het vervoer van goederen naar een andere Lid-Staat is, dat het vorenbedoelde samenstel van de in de administratie voorhanden zijnde gegevens de ondernemers de mogelijkheid biedt om daarmee het intracommunautaire karakter van hun transacties duidelijk te maken. Binnen het kader van de mogelijkheden die de bedrijfsvoering van de leverancier biedt, zal daarbij in het bijzonder de aanwezigheid van de volgende bescheiden een rol spelen:

- een schriftelijke bestelling vanuit het buitenland met de aanduiding dat de geleverde goederen op een plaats in het buitenland moeten worden afgeleverd,

- correspondentie met de koper (bijvoorbeeld de orderbevestiging) waaruit blijkt dat de desbetreffende goederen in het buitenland moeten worden of zijn afgeleverd,

- een commercieel gebruikelijke bevestiging door de koper van de ontvangst van de goederen in het buitenland,

- de op naam van een buitenlandse koper gestelde factuur,

- een betaling vanuit het buitenland,

- een verzekeringspolis met betrekking tot het internationale transport van de goederen,

- een export-vergunning (bijvoorbeeld voor afvalstoffen en ,,strategische'' goederen),

- douane-documenten met betrekking tot goederen die nog onder douane-toezicht staan of die naar een andere Lid-Staat worden verzonden of vervoerd via het grondgebied van een derde land en

- bescheiden die rechtstreeks betrekking hebben op de verzending of het vervoer van de goederen (de CMR-vrachtbrief, de nota van de vervoerder en, indien het gaat om accijnsgoederen, het - vereenvoudigd - accijnsgeleidedocument AGD).

Ondernemers in wier administratie een relevante combinatie van de hiervoor genoemde aanwijzingen en bescheiden eenduidig wijzen op een voor het buitenland bestemde levering, hebben in de zin van onderdeel 3 voldoende zorgvuldigheid betracht en kunnen op deze levering het nultarief toepassen, óók wanneer, al dan niet in het kader van een periodieke controle, uit de informatie-uitwisseling tussen de Lid-Staten blijkt dat de afnemer de geleverde goederen niet in de Lid-Staat van bestemming als een intracommunautaire verwerving heeft aangegeven. De ondernemer wordt evenwel in de toepassing van het nultarief niet beschermd wanneer de Belastingdienst aannemelijk maakt dat de feitelijke toedracht afwijkt van hetgeen uit de administratie van de leverancier blijkt en de leverancier wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de in zijn administratie aanwezige bescheiden een onjuiste indruk geven over het karakter van de onderliggende transactie.

4.2. Eigen vervoer

Zoals hiervoor is aangegeven, levert, indien de geleverde goederen naar een andere Lid-Staat worden verzonden, dat wil zeggen dat de goederen naar een andere Lid-Staat worden vervoerd door een derde (bijvoorbeeld een vervoerondernemer), de daarbij gebruikte vrachtbrief, in samenhang met de overige handelsbescheiden, in het algemeen een duidelijke aanwijzing op omtrent het intracommunautaire karakter van de levering.

Indien de geleverde goederen door de leverancier naar een andere Lid-Staat worden vervoerd, ontbreekt een vrachtbrief en brengt de vereiste zorgvuldigheid mee dat de leverancier het vervoer zodanig administreert dat daaruit de bestemming van de goederen blijkt. In het bijzonder zijn hierbij van belang de zogenaamde dag- en weekstaten, waarop de chauffeur aangeeft welke zendingen hij naar welke bestemmingen heeft vervoerd, in combinatie met de (mede in het kader van de loonadministratie bijgehouden) urenverantwoordingsstaten en de tachograafschijven en/of de werkmap c.q. het werkboekje van de chauffeur.

4.3. Afhaaltransacties

Indien goederen aan een buitenlandse afnemer worden geleverd ,,af-fabriek'' of ,,af-magazijn'' (afhaaltransacties), zal het intracommunautaire karakter van de levering niet mede kunnen blijken uit een vrachtbrief of uit de eigen-vervoersadministratie van de leverancier. Desalniettemin zijn er omstandigheden denkbaar waaronder de leverancier zich er ook in deze situatie van overtuigd mag weten dat de buitenlandse afnemer de goederen naar een andere Lid-Staat zal vervoeren. In aanvulling op het in de administratie al aanwezige samenstel van bescheiden en vastleggingen moet het dan gaan om een vaste afnemer, tenzij de leverancier weet dat door hem aan deze afnemer verrichte intracommunautaire leveringen tot problemen hebben geleid, welke afnemer bovendien een hierna bedoelde verklaring heeft afgegeven. Deze, door degene die de geleverde goederen in ontvangst neemt, te ondertekenen schriftelijke verklaring zal ten minste moeten bevatten de naam van de afnemer en, indien de afnemer de goederen niet persoonlijk in ontvangst neemt, de naam van degene die dat namens de afnemer doet, het kenteken van het voertuig waarmee de goederen zullen worden vervoerd, het nummer van de factuur waarop de geleverde goederen zijn gespecificeerd, de plaats waarheen de afhaler de goederen zal vervoeren, alsmede de toezegging dat de afnemer bereid is aan de Belastingdienst desgevraagd nadere informatie te verstrekken omtrent de bestemming van de goederen. Een model van deze verklaring is als bijlage opgenomen.

In gevallen van afhaaltransacties, waarin geen sprake is van een vaste afnemer en waarin de goederen contant worden betaald, terwijl de leverancier ook overigens niet over bescheiden beschikt die het intracommunautaire karakter van de levering ondersteunen, dat wil zeggen gevallen waarin er behalve een op naam van een buitenlandse afnemer gestelde factuur (waarop het buitenlandse BTW-identificatienummer van de afnemer is vermeld) geen andere bescheiden zijn waaruit het intracommunautaire karakter van de levering blijkt, zal de leverancier de aanspraak op toepassing van het nultarief niet zonder meer kunnen rechtvaardigen. Onder deze omstandigheden kan de leverancier het risico van naheffing vermijden door Nederlandse BTW aan de koper in rekening te brengen.

De koper zal, wanneer hij de goederen overbrengt naar een andere Lid-Staat, hiervan aangifte moeten doen bij de Nederlandse Belastingdienst. Op deze aangifte zal hij de in rekening gebrachte Nederlandse BTW in aftrek kunnen brengen.

4.4. Buitenlandse leveranciers/fiscaal vertegenwoordigers

Van in andere Lid-Staten gevestigde leveranciers die vanuit Nederland goederen leveren aan in andere Lid-Staten gevestigde afnemers, wordt dezelfde zorgvuldigheid ten aanzien van de toepassing van het nultarief verlangd als van in Nederland gevestigde leveranciers. Dit geldt onverkort ook in gevallen waarin de buitenlandse leveranciers voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen in Nederland een fiscaal vertegenwoordiger heeft aangesteld. Voor de aansprakelijkstelling van een fiscaal vertegenwoordiger met een algemene vergunning gelden dezelfde beginselen met betrekking tot de toepassing van het nultarief als voor de buitenlandse leverancier namens wie hij optreedt.

Een bijzondere situatie doet zich voor in gevallen waarin de buitenlandse leverancier een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning (,,beperkt fiscaal vertegenwoordiger'') heeft aangesteld, omdat deze fiscaal vertegenwoordiger slechts voor bepaalde transacties optreedt namens de buitenlandse leverancier. In de praktijk zal niet van een beperkt fiscaal vertegenwoordiger kunnen worden gevergd dat hij beschikt over het in onderdeel 4.1 bedoelde samenstel van bescheiden en vastleggingen, waaruit het communautaire karakter van de levering blijkt, omdat deze zich bevinden in c.q. deel uitmaken van de administratie van de buitenlandse leverancier.

Wanneer de beperkt fiscaal vertegenwoordiger echter zorgdraagt voor de aflevering van de goederen in een andere Lid-Staat en daartoe een derde ondernemer inschakelt, beschikt hij over de vrachtbrief en de nota van de vervoerder. In die situatie kan er bij de aansprakelijkstelling van worden uitgegaan dat de beperkt fiscaal vertegenwoordiger, mits hij ook volledig heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn vervat in artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking en beschikt over een op naam van de buitenlandse afnemer gestelde (kopie)factuur, binnen de hem ter beschikking staande mogelijkheden zorgvuldig heeft gehandeld.

Wanneer de beperkt fiscaal vertegenwoordiger niet zorgdraagt voor de aflevering van de goederen, kan er bij de aansprakelijkstelling van worden uitgegaan dat de beperkt fiscaal vertegenwoordiger binnen de hem ter beschikking staande mogelijkheden zorgvuldig heeft gehandeld als hij volledig heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn vervat in artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking en, naast een op naam van de buitenlandse afnemer gestelde (kopie)factuur, beschikt over een verklaring van de afnemer als bedoeld in de eerste alinea van onderdeel 4.3.

5. Verklaring van de afnemer

Aan een schriftelijke verklaring van de afnemer als bedoeld in de eerste alinea van onderdeel 4.3, die onder meer inhoudt dat de afnemer ervoor zorgdraagt dat de geleverde goederen naar een andere Lid-Staat zullen worden verzonden of vervoerd, kan, in gevallen waarin deze verklaring uitsluitend voor fiscale doeleinden wordt opgesteld en afgegeven, geen bijzondere bewijskracht worden toegekend. De bewijskracht ervan is in ieder geval minder groot dan die van commercieel gebruikelijke aanwijzingen van de afnemer omtrent de door hem gewenste/opgegeven plaats van aflevering van de goederen. De verklaring kan dan ook niet dienen ter vervanging van commerciële bescheiden, waarover de leverancier met betrekking tot individuele transacties kan beschikken. Slechts in de hiervoor vermelde gevallen, waarin de administratie van de leverancier dan wel die van de beperkt fiscaal vertegenwoordiger, behalve het buitenlandse BTW-identificatienummer en een op naam van een buitenlander gestelde factuur, geen andere concrete aanwijzing oplevert omtrent het intracommunautaire karakter van de levering, maakt een dergelijke verklaring zichtbaar - en speelt in die zin ook een doorslaggevende rol - de zorgvuldigheid waarmee de leverancier aan de levering een intracommunautair karakter heeft toegekend. Het ontbreken van de verklaring in deze gevallen betekent niet dat de toepassing van het nultarief onmogelijk is; het aantonen dat ter zake voldoende zorgvuldig is gehandeld, zal dan echter problematisch zijn.

6. Individuele gevallen

De wijze waarop een leverancier in een concreet geval met de daartoe vereiste zorgvuldigheid het intracommunautaire karakter van een door hem verrichte levering kan vaststellen, is afhankelijk van de omstandigheden, zoals die gelden voor het desbetreffende bedrijf en de desbetreffende levering. Als de toepassing van dit besluit vragen over de toepassing van het nultarief in concrete situaties onbeantwoord laat, kan de desbetreffende ondernemer zich wenden tot de inspecteur.

7. Inwerkingtreding en evaluatie

Dit besluit treedt heden in werking.

Ik behoud mij het recht voor om de toepassing van dit besluit op een nader te bepalen tijdstip te evalueren en, afhankelijk van de uitkomsten van die evaluatie, dit besluit dienovereenkomstig te wijzigen.

Bijlage. Verklaring als bedoeld in onderdeel 4.3 van Mededeling 38

Ondergetekende, ......................................

(naam van degene die de goederen in ontvangst neemt)

Verklaart (voor zoveel nodig, namens de afnemer):

1. dat de goederen die zijn vermeld op de door de leverancier:

Naam: ...............................................

(naam leverancier)

Adres/Plaats: .......................................

(bedrijfsadres leverancier)

afgegeven factuur met nummer: .......d.d. ...........

(factuurnummer) factuurdatum)

en die zijn geleverd aan: ...........................

(naam van de buitenlandse afnemer)

met het BTW-identificatienummer: ....................

(buitenlandse BTW-identificatienummer van de afnemer)

met een vervoermiddel met het kenteken: .............

(indien van toepassing: kenteken vermelden)

zijn/zullen worden vervoerd naar ....................

(plaats van bestemming)

in de Lid-Staat: ....................................

(Lid-Staat van bestemming)

2. dat de afnemer bereid is op verzoek van de Nederlandse Belastingdienst nadere informatie te verstrekken omtrent de bestemming van de goederen.

............................. ...............

(plaats) (datum)

.................................

(handtekening van degene die de goederen in ontvangst neemt)"

(einde van de tekst van de getroffen regeling)

dr. mr. Ton van der Woude, BDO Walgemoed CampsObers belastingadviseurs, kantoor Rotterdam, telefoon 010-2424600, E-mail: ton.van.der.woude@bdo.nl